-
04 mei 2026
Versies van een verleden
Ik was twaalf toen mij verteld werd dat mijn vader veel ouder was dan ik tot dan toe had geloofd. Ik wist niet zo goed wat ik met de nieuwe wetenschap aanmoest. Mijn vader was een vitale vent. En op je twaalfde is veertig zijn hetzelfde als tachtig of negentig.
Tot mijn twintigste veronderstelde ik dat het gedoe met de leeftijd van mijn vader te maken had gehad met dat mijn moeder veel jonger was. Maar toen openbaarde zich een andere reden voor de plotse veroudering van haar man.
Die had voor de oorlog al een gezin gehad.
Ik had opeens vier halfzussen die in de jaren vijftig met hun moeder naar Canada waren geëmigreerd. Mijn ouders hadden elkaar pas een week of wat voor mijn geboorte het ja-woord kunnen geven, nadat de eerste vrouw uiteindelijk had ingestemd met een echtscheiding.
Ik werd dertig met het idee dat mijn ouders elkaar na de oorlog hadden getroffen en waren gaan ‘hokken’, zoals ongehuwd samenwonen toen nog heette. En dat ik mezelf gelukkig mocht prijzen: mijn oudere broer en zussen waren deerlijk gepest met hun ontaarde ouders.
Maar in de laatste tweegesprekken tussen mijn ouders voordat mijn vader overleed, viel me iets op.
Mijn moeder is geboren en opgegroeid op een pachtboerderijtje in de buurt van Winterswijk. Toen ze twaalf was moest ze geld naar huis brengen en voor meisjes betekende dat het vinden van ‘een dienstje’ bij rijkelui.
Mijn moeder noemde iedere vrouw met wie zij zich kon meten in de taal van haar streek ‘moe’. Je had in haar kennissenkring ‘moe Brandenbarg’ en ‘moe Imhoff’. Maar haar voormalige werkgeefsters bleven tot haar dood ‘mevrouw’.
Je had ‘mevrouw Koenders’ en ‘mevrouw Terbroeke’. En daar was ook ‘mevrouw Kuipers’.
Mijn moeder dateerde het contact met haar niet in de oorlogsjaren. Dat deed mijn vader. Hij wist zonder te vragen over wie mijn moeder het had. Een gemeenschappelijke kennis. Omgebracht door de nazi’s in 1944*. Mijn ouders kenden elkaar dus al in de oorlog.
En uit het verzet.
De omerta van het verzet, die prachtige zwijgplicht die zij zelfs naar hun kinderen oefenden, en die hen nadien nog letterlijk duur zou komen te staan. Eind jaren zestig of begin jaren zeventig deed Stichting 1940-1945 die pensioenen voor verzetsmensen regelde, ook ons huis aan.
‘We moeten namen hebben, van getuigen’, onderbrak de medewerkster de woordenstroom van mijn ouders. ‘Namen? Niemand had toen een naam, mevrouw. Je kon in die tijd maar beter je naam vergeten’ reageerde mijn vader. En daarop wees hij haar de deur.
* Voor wie het kwartje nog niet gevallen is: Helena Kuipers-Rietberg was de vrouw die vanuit de Achterhoek de landelijke opvang van onderduikers regisseerde.
Meer bijdragen van deze auteur
- Lees meer over en van JoopFinland op toandfrom.net
