-
12 januari 2026
Knerpen
Het was donker in de stad, slechts hier en daar brandde licht. Maar er waren veel mensen op de been en ik vroeg me af wat er aan de hand was. Toen ik dichterbij kwam bleek het een hele menigte te zijn, en tot mijn verbazing zag ik het ene bekende gezicht na het andere – voor zover er geen sjaals of mutsen om die gezichten heen zaten. Wat is er aan de hand, vroeg ik aan de eerste de beste die tegen me aan botste.
Dat weet je toch wel, was het antwoord. Vanaf nu moeten we massaal de straat op, elke dag, of beter nog dag en nacht.
Totdat? Vroeg ik, en ik voelde me onnozel. Er klonk een zucht, een hand maakte een vermoeid gebaar. Laat maar, zei ik. Maar dat hoorde diegene al niet meer, een andere bekende groette me met een high five. Goed dat jij er ook bent. Eindelijk. Na zoveel dagen. Dat je meedoet.
Ik vroeg niet waaraan ik verondersteld werd mee te doen. Het was niet moeilijk in te vullen. We waren overal tegen. We waren overal voor. We wilden alles anders. Behalve de dingen die goed liepen, die moesten juist zo blijven, maar dat waren meestal dingen die je zelf kon doen.
Ineens klonk er geschreeuw. Langs de kant stonden anderen die schreeuwden – het leek of ze ons aan wilden vallen. Ze gooiden vuurwerk, er was veel rook. Ik dacht: nee, nee, dit wil ik niet, ik wil hier weg, dit is niets voor mij. Maar wie wilde dit dan wel? Misschien die schreeuwers, maar hoe waren die zo geworden?
Er stonden busjes klaar. Daar kwamen geüniformeerden uit, met schilden, met stokken. Ik zocht een uitweg. Er werd geroepen: allemaal bij elkaar blijven, let op elkaar en laat je niet op stang jagen.
En we liepen. En we riepen.
Anti anti anti!
Terwijl ik mee riep dacht ik aan alle dingen waar ik vóór was. De mooie aarde, de delen die mensen nog een beetje met rust gelaten hadden. Aan de mensen die het volhielden zo te leven dat er genoeg, meer dan genoeg ruimte overbleef voor anderen. Voor mensen, toekomstige mensen, voor alle anderen, alle dieren, alle planten, voor rivieren en bergen. Voor sneeuw.
Achter ons raakten de schreeuwers slaags met de geüniformeerden. Wij liepen door, het lawaai lieten we achter ons en we begonnen te zingen, het ene lied na het andere – sommigen haalden een instrument tevoorschijn. We liepen totdat we de stad uit waren. De zon kwam al op en het begon te sneeuwen.
We gleden uit en vingen elkaar op. Sneeuwballen vlogen over en weer. Er klonk gelach, eindelijk gelach, geschater. De boze wereld leek even vergeten. Een dikke laag sneeuw eroverheen. Laat het sneeuwen, blijven sneeuwen. Laat de aarde aan de rem trekken, dan trekken wij mee!
We bereikten het bos en iedereen werd stil. De sneeuw knerpte onder onze voeten. Een koolmeesje zong alsof het al lente was.
Het leek te mooi om waar te zijn.
