Terug naar hoofdinhoud
  • 08 juni 2026

Militarisering nog zonder opkomstplicht, maar…

Oorlogen her en der, defensiebegrotingen naar 5%, oorlogsretoriek in De Telegraaf en bij Sven Kockelman, overal Russen op de loer, opgeklopt nationalisme, noodpakketten in elk huishouden, een koning en een koningin én een prinses in legeruniform. Het lijkt wel alsof onze maatschappij diep doordrongen wordt door een nieuw militarisme. De heropende discussie over de militaire dienstplicht maakt daar deel van uit.

Militarisering van het onderwijs

Hans Boot heeft in Commentaar 565 op Solidariteit.nl aandacht gevraagd voor activiteiten gericht op de militarisering van het hoger onderwijs. Studenten kunnen worden opgeleid tot reservist in een weerbaarheidstraining van tien weken. “Ze leren schieten, kompas lezen en hun grenzen verleggen.” Daar kunnen ze 15 studiepunten mee verdienen en 2.200 euro. Defensie betaalt de totale kosten van 30.000 euro per deelnemer.

Stan Meeuwese heeft in het VredesMagazine jaargang 19 nummer 1 gewezen op een project dat gericht is op het middelbaar beroepsonderwijs. Inmiddels is op 30 Regionale Opleiding Centra de studierichting Veiligheid en Vakmanschap ingevoerd. “De richting ‘grondoptreden’ staat voor de klassieke infanterieopleiding.”

Twee brieven

En álle 200.000 jongeren van 17 jaar hebben in april een dienstplichtbrief gekregen. Daarin staat kort en goed dat deze jongeren vanaf dat moment dienstplichtig zijn en kúnnen worden opgeroepen, maar dat dit (nog) niet gebeurt. Bij de brief zit een veelkleuren-folder die oproept bij Defensie te komen werken, een dienjaar te komen doen (een fulltime snuffelstage van 365 dagen) of om reservist te worden (een parttime functie naast een studie of een baan).

Dit jaar krijgen die 200.000 jongeren ook nog een tweede dienstplichtbrief. Daar zit een enquête bij die de jongens en meisjes niet hoeven in te vullen. Maar wie dat wel doet kán door Defensie worden uitgenodigd, bij voldoende motivatie en geschiktheid, om verdere stappen richting het leger te zetten.

Het waarom

De achtergrond van deze operaties is dat de beleidsmakers menen dat het Nederlandse leger aan uitbreiding toe is. Momenteel werken bij Defensie 85.000 mensen, waarvan 50.000 beroepsmilitairen, 25.000 burgers en 10.000 reservisten. Het streven is dat het totaal gaat naar 100.000 en liefst uiteindelijk naar 200.000. En dat dus zo mogelijk zonder herinvoering van de opkomstplicht. Dat zou organisatorisch en financieel te ingewikkeld worden. Als het écht nodig wordt gevonden, kán het wel. Dan wordt de opkomstplicht in het verlengde van de formeel in stand gebleven dienstplicht alsnog ingevoerd.

De aanpak in Duitsland

In Duitsland, dat je altijd goed in de gaten moet houden, gaan ze al wat verder. Daar hebben ze net als in Nederland een formele dienstplicht zonder opkomstplicht. Maar daar zijn sinds 1 januari van dit jaar enkele aanscherpingen van de regelgeving doorgevoerd. De belangrijkste daarvan is dat alle jonge mannen verplicht een militaire keuring moeten ondergaan. Zodat als de nood aan de man komt direct duidelijk is wie als kanonnenvoer kan worden opgeroepen. In Duitsland krijgen de jongeren ook een enquête in de bus, maar anders dan in Nederland moet die in Duitsland verplicht worden ingevuld en teruggestuurd. Ook moeten alle mannen tussen 17 en 45 jaar een vergunning aanvragen als ze het land langer dan 3 maanden verlaten. Voorlopig een formaliteit, maar wel handig als je bij een crisis wil mobiliseren. Van de Duitse ouderen boven de 69 steunt 77% de activering van de algemene dienstplicht. Ook de rechtse partijen CDU en AfD zijn ervoor. Zij zien het als een middel om de jeugd tucht en discipline bij te brengen. De Duitse jongeren zijn minder enthousiast. In de leeftijd van 18 tot 29 jaar is 60% tegen de dienstplicht en slechts 14% is bereid zelf in het leger te dienen. In diverse steden kwam het de afgelopen maanden tot scholierenstakingen tegen de nieuwe dienstplichtwet.

Overwegingen

In Nederland ligt dus effectuering van de dienstplicht momenteel niet voor de hand. Interessant zijn de overwegingen die een rol hebben gespeeld bij de afschaffing van de opkomstplicht. Dat was in 1997. Sommige partijen en groeperingen vonden het wel best. De val van de Sovjet Unie in 1989 had het einde ingeluid van de Koude Oorlog en de internationale spanningen drastisch doen afnemen. Grote rechtse en linkse partijen vonden het onderhouden van een dienstplichtleger met ongeveer 45.000 dienstplichtigen te duur en te veel gedoe. Keuren, opleiden, huisvesten, voeden, bewapenen, elke twee maanden een nieuwe lichting, het kostte te veel geld en moeite. Heel veel jongeren vonden het ook prima: je diensttijd werd toch vooral gezien als een vervelende nutteloze periode die je wel beter kon besteden. Pacifisten sprongen een gat in de lucht.

Oudere houwdegens waren daarentegen minder vrolijk: zij zagen in een groot leger een teken van patriotisme en een historische stap op weg naar de volgende oorlog. Bovendien hoopten zij dat het leger mannen van jongens zou maken en hen gehoorzaamheid en discipline zou bijbrengen. Dat ging trouwens al een tijdje wat minder. In de soldatenvakbond VVDM was tweederde van de dienstplichtigen georganiseerd en die wist vrij goed voor hun belangen en rechten op te komen. Dat was één van de redenen dat de socialistische Bond Voor Dienstplichtigen, de zogenaamde ‘witte BVD’, eveneens een tegenstander was van opschorting van de dienstplicht. Het was immers mogelijk gebleken in het leger een frisse burgerwind te laten waaien. Een beroepsleger zou per definitie een makkelijker inzetbaar instrument van de huidige machthebbers voor de instandhouding van het kapitalisme zijn. Dus, mocht het komen tot een herinvoering van de opkomstplicht, en nu ook voor meiden, dan is er misschien nog geen mens overboord!