Skip to main content
  • 08 december 2006
    Mensenrechten

Zandkastelen

Adriaan Bontebal

Gedurende de dag was het met bakken uit de hemel gekomen, maar die avond miezerde het. De koplampen van het tegemoet komend verkeer spatten op zijn brillenglazen uiteen als kwamen zij van een spinnende discobal. Maar het was niet ver meer, hij was bijna thuis.

Toen hij zijn straat wilde indraaien dacht hij er net op tijd aan te remmen. De boel werd opnieuw bestraat, maar door het slechte weer van de laatste tijd waren de stratenmakers nog niet verder gekomen dan het plaatsen van twee linten stoeprand. Waar de tegels zouden komen waren zo lang houten vlonders gelegd. In zijn jonge jaren zou hij net zo makkelijk over de stoeprand zijn gegaan - hij was ooit een acrobaat op de fiets - maar dat dorst hij niet meer.

Kabonk, kabonk, kabonk, van vlonder naar vlonder. Hé! Zag hij het goed, zat daar iemand? Hij keek over de rand zijn bril om de schitteringen van de lantaarns te ontlopen. Een druppel bleef hangen aan het puntje van zijn neus. Ja hoor, daar zat de oude kapitein. Doorweekt.

‘Jeez, ome Hendrik, waar ben je nou mee bezig?’ Een overbodige vraag, want dat was wel duidelijk. Hij zat op zijn platte kont, met een emmertje en een schepje in het zand te spelen.

‘Dit is toch geen weer om zandkastelen te bouwen!?’ Een man van in de zestig.

Hendrik murmelde iets onverstaanbaars, maar de laatste woorden waren luid en duidelijk: ‘...kom erbij.’ Ouwe gek.

‘Ik heb wel mijn goeie goed aan, hoor. Als moeder merkt dat ik in het zand heb zitten spelen, zwaait er wat.’

Weer wat gemurmel, eindigend op: ‘...bij je moeder thuis?’

‘Nee, je weet toch dat ik alleen woon. Met zes katten. Maar moeder merkt alles, al is de afstand nog zo groot. Daar had ze vroeger al een handje van. “Jij hebt slootje gesprongen,” zei ze soms als ik uit school kwam. Altijd had ze gelijk, maar meestal had ik niet eens natte voeten. Hoe wist ze dat dan? Later wist ze feilloos te vertellen wanneer ik had gerookt. Maar dat rook ze natuurlijk, want ze rookt zelf niet.’

Maar de ouwe luisterde niet, hij was weer verdiept in zijn zandkasteel. Ach, wat had hij thuis te zoeken? Daar heerste een bazige trol, Enid genaamd. Toen hij nog voer, had hij haar opgedoken in een Noorse havenplaats. Hij groette de zandartiest: ‘Ajuus ouwe.’

Twee tellen later stak hij zijn sleutel in het slot. Eindelijk thuis. Tot op het bot verkleumd. Zou hij nog even bij de buurvrouw aankloppen? Die had altijd iets hartverwarmends onder de kurk.