• 25 augustus 2022
    Linkse discussie

Extreem-links? Uitstekend!.

Peter Storm

De gevestigde orde en haar spreekbuizen in media en politiek houden ervan om tegenstanders van die orde weg te zetten met allerlei negatieve typeringen, frames en scheldwoorden. Favoriet etiket dat tegenstanders krijgen opgeplakt is dat van extremisten. En het allerergste dat je volgens die orde-liefhebbers kunt zijn is dan ook extreem-links. Anarchisten krijgen dat label nogal eens opgeplakt. Wat vind ik daar als anarchist eigenlijk van? Hoe kunnen we.e met dit soort van framing nuttig om gaan?

Laten we het woord eens beter bekijken. Het bestaat uit twee onderdelen: extreem, gevolgd door ‘links’. Je hebt ook het tegenovergestelde: extreem-rechts. Ook dat is, vanuit de mainstream van de gevestigde orde, een negatief frame maar toch beduidend minder ernstig. Die orde vindt ‘rechts’ – gezagsgetrouw, hiërarchisch, ongelijkheid erkennend en verdedigend – op zichzelf prima: rechtsheid typeert die orde immers. Als het maar niet ‘extreem’ is, oftewel, als de nette procedures waarmee die orde zich reguleert, maar in acht genomen worden: de rechtsstaat, de wet, de parlementaire procedures. En als de feitelijke ongelijkheid zich maar netjes kan camoufleren achter de gelijkheid voor de wet, dat heilige grondbeginsel van die fameuze rechtsstaat. Extreem-rechts verheft de bestaande, maar door het establishment hypocriet ontkende, ongelijkheid tot norm. En het treedt de keurige procedurele nomen van de gevestigde orde openlijk met voeten, door intimidatie, straatgeweld en het hanteren van terreur niet alleen over te laten aan de daartoe bevoegde instanties.

Het is het extremisme in de rechtsheid waar de gevestigde orde paal en perk aan wil stellen, maar niet de rechtsheid zelf die de orde immers met de fascisten gemeen heeft. Precies hierom is het catastrofaal onjuist om de gevestigde orde als een betrouwbare bondgenoot tegen fascisten te hulp te roepen, de politie aan te moedigen tegen fascistische (corona-ontkennende, het recht op stikstofvervuiling hardhandig verdedigende, tegen asielzoekerscentra te hoop lopende) optochten. Gevestigde orde en extreem rechts zijn soms rivalen die slaags raken. Fundamentele opponenten zijn het echter niet, en delen van die orde gooien het keer op keer met fascisten op een akkoordje als dat zo uit komt.

Met extreem-links, en met name met anarchisten, ligt dat anders! Hier zijn het niet alleen de methoden die op afwijzing door de gevestigde orde stuiten. Hier is sprake van een werkelijk fundamentele tegenstelling. Links wil maatschappelijke gelijkheid, waarmee ik politieke, sociale en economische gelijkheid bedoel. De gevestigde orde bestaat bij de gratie van ongelijkheid: tussen machthebbers en alle anderen, tussen rijk en arm, tussen koloniaal bevoorrechte en via kolonialisme onderworpen mensen, tussen patriarchaal bevoorrechte en via patriarchaat onderworpen mensen, en ga zo maar door. Ongelijkheid is de essentie van de gevestigde orde, en zelfs het serieus aanroepen van formele gelijkheid om die ongelijkheid bloot te leggen, wordt vanuit die orde als bedreiging ervaren.

De gevestigde orde ervaart dus niet alleen de door anarchisten soms gekozen actievormen als gevaar, maar minstens zozeer de door anarchisten nagestreefde doelen, en de kritiek waar die zich op baseren. Gevestigde orde en extreem-links – waaronder anarchisten – zijn dus geen rivalen die soms slaags raken maar het soms prima op een akkoordje kunnen gooien. Gevestigde orde en extreem-links zijn fundamentele tegenstanders, elkaars onverzoenlijke, wederzijds uitsluitend vijanden. En de meest onverzoenlijke opponenten onder die extreem-linkse tegenstanders zijn dan weer de anarchisten, als het goed is tenminste. Dat het gezag ons extreem-links, of liever nog linkse extremisten noemt, drukt eigenlijk goed uit dat dit gezag weet uit welke hoek fundamenteel gevaar dreigt – of hoort te dreigen, als anarchisten hun werk naar behoren doen.

Extreem?

Nu reageren anarchisten zelf heel uiteenlopend op dat etiket ‘extreem-links’. Sommigen van ons verzetten zich tegen het etiket. Dat gaat dan een beetje als volgt: We zijn helemaal niet zo extreem. Waar mogelijk kiezen we vreedzame actievormen, lang niet allemaal doen we aan sabotage en aan Black Block. Het fameuze anarchistisch terrorisme is ook binnen het anarchisme zeer omstreden, veel anarchisten hebben er nooit iets van moeten hebben, laat staan er aan meegeholpen. Het is unfair om het anarchisme af te rekenen op de enkelingen en kleine groepjes die extreme middelen hanteren. Bovendien: extremisten qua actievormen, mensen die geweld en aanslagen hanteren als tactiek, heb je in alle politieke stromingen, doorgaans aanzienlijk meer dan in het anarchisme. We zijn geen extremisten, als je ons wat beter leert kennen, zijn we eigenlijk best lief…

Dit is een argumentatiestrategie met kernen van waarheid, misschien heel geschikt om dat ene vriendelijke maar bezorgde familielid een beetje gerust te stellen nadat ze hoorde dat dochterlief bij die enge anarchisten is terechtgekomen. Maar het is me in het algemeen te lief, te excuserend en ontwijkend. We voeren dan de discussie precies op voorwaarden van onze tegenstanders, we accepteren hun normen als geldig, en we accepteren dat extremisme eigenlijk iets slechts is. Waarom zouden we dat doen? Waarom zo keurig meebuigen met de winden die vanuit de orde over ons worden uitgeblazen?

Er is een scherpere, wat mij betreft al veel betere reactie denkbaar op de labeling als ‘extreem-links’. Dat kan als volgt. Wij, extreem?! Wat is er extreem aan ons verlangen naar eten, drinken en een dak boven je hoofd voor iedereen? Wat is er extreem aan ons verlangen naar vrijheid en persoonlijke autonomie? Wat is er extreem aan onze erkenning van ieders gelijkwaardigheid, hoe onderling verschillend we allemaal ook zijn? En wat is er dan zo gematigd aan jullie gevangenissen en oproerpolitie? Aan de prijsstijgingen, loondalingen en bezuinigingen waarmee jullie verrijken en ons de armoede induwen? Aan jullie gevangenissen, concentratiekampen, executiepelotons en doodseskaders? Aan jullie pyromane sloop van de planeet om maar winst uit fossiele grond- en brandstoffen te kunnen blijven pompen? Aan jullie wrede oorlogen om te bepalen welke groep machthebbers welk deel van de planeet mag overheersen, bijvoorbeeld om er die fossiele grond- en brandstoffen te roven? Wie zijn hier eigenlijk de extremisten? Wij, die aan dit soort extreme ellende en onrechtvaardigheid een einde willen maken? Of jullie, die deze ellende koste wat koste willen verdedigen, met de extreemst denkbare middelen als jullie dat nodig vinden?

Deze argumentatie bevalt mij al een stuk beter. Hier kruipen we uit de verdediging en gaan tot een frontale tegenaanval over. We verschuiven de discussie van de middelen waar onze tegenstanders ons op afrekenen, naar de doelen die we nastreven. We zetten de schijnwerpers ermee op de kern van het probleem: een extreem gewelddadig, onderdrukkend, uitbuitend en destructief systeem, met bijbehorende machthebbers, profiteurs en handlangers. Ik denk dat dit vaak een hele handige aanpak kan zijn. Maar niet de enige, en misschien ook niet altijd de beste. We blijven hier nog steeds de negatieve lading van het woordje ‘extreem’ accepteren. Is dat altijd wel nodig en nuttig?

Gelukkig kom je dan ook een heel enkele keer – moge het meer worden! – een derde argumentatiestrategie tegen. Die komt ongeveer op het volgende neer: Ja, wij zijn extreem-links, met reden en met trots! En dat geldt zowel onze doelen als onze middelen. We willen volledig van deze orde af, en wat wij voorstaan is echt extreem anders dan de systematische ongelijkheid, onvrijheid en destructiviteit van de huidige orde. De solidariteit, zorgzaamheid en wederkerigheid op basis van erkende gelijkwaardigheid is het extreme tegendeel van die huidige orde. En ja, wij sluiten geen middelen bij voorbaat uit om van de huidige orde naar die andere wereld te komen, nee ook geen gewelddadige middelen, wat dat laatste ook betekent. We zijn als anarchisten extreem in onze linkse doelen. En we zijn extreem in onze middelen, naar gelang wij dat nodig vinden. Jazeker, wij zijn extreem-links, of links-extremistisch als je dat leuker vindt. Leer er maar vast mee leven in de tijd tot we jullie van macht, rijkdom en woordvoerderschap namens de heersers hebben beroofd.

Dit is wel leuk, niet? Hier halen we het vloerkleed weg onder het verwijt, door het voluit te erkennen maar tegelijk uitdagend om te vormen tot iets positiefs. Waar de aanvaller hoopt dat we in de verdediging schieten en het vanuit de gevestigde orde als verwijt bedoelde etiket gaan ontkennen, daar maken wij van dat verwijt een trots en uitdagend gedragen anarchistische vlag. We weigeren het verstoppertje spelen dat ons zo vaak wordt opgedrongen.

Er zijn precedenten voor zoiets, waar we de kracht van deze methode kunnen onderkennen. In de jaren veertig en vijftig van de twintigste eeuw voerden rechtse politici in de VS een campagne tegen links, onder het motto van anticommunisme. Berucht hiermee werd senator Joe McCarthy, die mensen daagde voor hoorzittingen om zich tegen de beschuldiging van communisme te verweren. Tevens was er de House Committee for Un-American Activities (HUAC), ook een congrescommissie die aan communistenjacht deed en hoorzittingen hield. Dreigend klonk dan de vraag op zo’n hoorzitting: ‘Are you now, or have you ever been a member of the Communist Party?’

Sommigen ontkenden, maar soms bleek later dan dat ze onder ede hadden gelogen en wel degelijk ooit partijlid waren geweest. Hola, meineed, veroordeling. Anderen weigerden de vraag te beantwoorden door zich op het Vijfde Amendement van de Amerikaanse Grondwet te beroepen: het recht om niet tegen jezelf te hoeven getuigen. Folksinger Pete Seeger, ook gedaagd door het HUAC, beriep zich hierop en weigerde antwoord te geven.. Hij kreeg een gevangenisstraf van een jaar opgelegd wegens minachting van het Congres, maar werd in hoger beroep vrijgesproken.(1) Nog weer anderen gaven toe en gingen vervolgens collega’s verklikken. Overigens dient men zich bij die Communist Party geen bijzonder radicale voorstelling te maken. Het waren feitelijk sociaal-democraten die de Sovjet-Unie idealiseerden, geen radicale revolutionairen. Maar daar gaat het nu eventjes niet om.

Dat verklikken was natuurlijk schandelijk, het ontkennen van eventueel lidmaatschap heel verdedigbaar, de weigering om de vraag zelfs maar te beantwoorden was best eervol en gezien de druk waar aangevallen mensen onder stonden, ook dapper. Maar het bleef erg defensief. Het kwam in die tijd niet voor dat een door McCarthy, of HUAC gedaagde en van communisme beschuldigde persoon zei: ‘Ja, ik ben communist, ik ben al sinds mijn negentiende jaar partijlid en dat ben ik nog steeds, en daar ben ik trots op ook!’ Dat deed zo goed als niemand, totdat in 1966 de HUAC leden van Progressive Labor (PL) voor een hoorzitting daagde. Dat PL was een soort maoistisch-communistische groepering die zichzelf profileerde als voorhoede-partij in wording. Geen fijne club dus verder, maar wel vol mensen die bereid waren hun nek uit te steken voor hun zaak. PL mobiliseerde 800 van haar leden, en de een na de ander verklaarde uitdagend communist te zijn. Dat was dus de laatste openbare hoorzitting die HUAC ooit nog deed.(2)

Op het moment dat mensen openlijk en met trots uitkomen voor datgene waarvan ze worden beschuldigd, werkt de beschuldiging niet meer. Ons zelf als anarchisten gewoon extreem-links noemen kan op dezelfde manier ook de negatieve kracht van dat etiket ondermijnen en het tot een eretitel ombuigen. Laten we ook even in herinnering roepen dat Proudhon, een van de anarcho-grondleggers in de negentiende eeuw, ooit iets soortgelijks deed toen hij zichzelf in antwoord op een door hemzelf gestelde vraag openlijk en uitdagend anarchist noemde.

Links?

Er zijn nog andere tegenwerpingen tegen dat etiket ‘extreem-links’. Dat bezwaar richt zich dan eens niet tgen ‘extreem’, maar tegen dat ander onderdeel, ‘links’. Zijn anarchisten eigenlijk wel links? Hier wordt onder anarchisten heel uiteenlopend over gedacht.

Zo is er het argument dat de indeling in links en rechts een indeling is van politieke partijen, veelal in een parlementair bestel. Anarchisten zijn niet zo van partijen, en staan tegenover dat parlementaire bestel waar ze in functioneren. Waarom zouden we ons, via dat woordje ‘links” positioneren binnen die partijpolitiek, als we die juist willen vervangen door iets fundamenteel anders? We gaan in ons nee tegen de politieke orde best ver, je kunt dat extreem noemen. Maar links?

Het argument bevat een historische kern die klopt. De links-rechts-verdeling stamt uit de tijd van de Franse revolutie, van 1789-1795. Toen was er een Nationale Vergadering waar politici beraadslaagden over beleid en hoe het verder moest. Aan de ene kant, rechts van het podium, zaten de aanhangers van de koning en de aristocratie, de mensen die de voorrechten van vorst en adel en geestelijkheid maar weinig wilden inperken. Aan de andere kant, links dus, zaten degenen die de monarchie verregaand van macht wilden beroven en richting een republiek wilden gaan. Rechts zaten de mensen die privilege en standsverschil wel wilden aanpassen maar niet wilden opdoeken, Links zaten degenen die dat wel wilden, of minstens flinke stappen in die richting wilden zetten. Hier gaat de indeling rechts-links op terug. Rechts: behoudende, conservatieve of zelfs reactionaire politici die ongelijkheid als rechtmatig erkenden. Links: vooruitstrevende of zelfs radicale politici die naar maximale maatschappelijke gelijkheid streefden. Inderdaad, een indeling van de toen gangbare politieke verhoudingen in een toenmalig parlement.

Maar we zien hier al wel een tegenstelling die je prima buiten parlementaire verhoudingen kunt hanteren. Rechts: de aanhangers van sterke maatschappelijke ongelijkheid, privileges, traditionele hiërarchische structuren. Extreem-rechts: degenen die deze hiërarchieën zelfs nog aan wilden scherpen en de toename van gelijkheid in de maatschappij maximaal terug wilden draaien, of een nieuwe versie van extreme ongelijkheid nastreefden. Links: de voorstanders om aan die ongelijkheid paal en perk te stellen, privileges in te perken, hiërarchische structuren door meer egalitaire te vervangen. Extreem-links: voorstanders van de volledige ontmanteling van hiërarchische structuren, opheffing van privileges en van alle verhoudingen waar maatschappelijke ongelijkheid in is verankerd. Rechts vond je reactionairen, conservatieven, later ook fascisten. Links vond je dan socialisten, communisten en duidelijk ook anarchisten. Liberalen waren aanvankelijk links, want kritisch ten opzichte van aristocratisch privilege en absolute monarchale macht. Naarmate de uitdaging van radicaler links groter werd, kwamen liberalen relatief gezien meer aan de rechterkant terecht.

Nemen we zo’n breder links-rechts begrip, dan mag duidelijk zijn dat anarchisten sowieso niet ter rechterzijde thuishoren: we verzetten ons immers tot het uiterste tegen precies die maatschappelijke ongelijkheid, hiërarchie en instituties die ons via hiërarchie en ongelijkheid onderwerpen, onderdrukken, uitbuiten. Tegen fenomenen dus die door rechts worden verdedigd, al dan niet in aangepaste vorm.. Het anarchisme is antikapitalistisch, net als socialisten en communisten; het anarchisme is anti-staat, net als tenminste sommige communisten en anarchisten. Nogal wat anarchisten zien zichzelf trouwens als een soort communisten en/of socialisten. Woorden als libertair communisme en anti-autoritair socialisme zijn veelal van toepassing op de opvattingen van deze mensen. Hoe dan ook: anarchisme is hier duidelijk een stroming die ter linkerzijde thuishoort, niet ter rechterzijde en ook niet ergens in het midden.

Maar, zo luidt dan nog een tegenwerping: willen we als anarchisten wel horen bij de grote linkse familie, waar ook partijcommunisten en sociaaldemocraten deel van uitmaken.? Als Mao radicaal links is en Stalin ook, moeten wij dat etiket dan eigenlijk wel willen? Als Wim Kok en Femke Halsema links waren of zijn, zijn wij dan niet iets fundamenteel anders? Wat te denken van alle bloedige conflicten waarin partijcommunisten die de staatsmacht veroverden, anarchisten en andere anti-autoritaire radicalen in de cel gooiden, opknoopten, voor executiepelotons sleepten? Trotski en Lenin tegenover de opstandige matrozen van Kronstadt, maart 1921? Het Rode Leger van Trotski tegen de anarcho-partizanen van Nestor Makhno, 1919-1921? De Sovjet-Russische veiligheidsdienst NKVD plus plaatselijke stalinisten achter de Spaanse linies in de Burgeroorlog 1936-39, druk op jacht naar anarchisten en trotskisten om ze te folteren en af te maken? Als al die onderdrukkers links heten, moeten we als anarchisten dan niet als de wiedeweerga van dat etiket ‘links’ af? Ik snap dat er, dit alles overziend, zoiets is opgekomen als post left anarchism, een anarchisme dat links achter zich gelaten heeft. En het zijn vast niet de slechtste anarchisten die weigeren zichzelf te positioneren als links.

Maar ik zie aan de weigering om me als anarchist links te plaatsen toch een ernstig bezwaar. Bovendien denk ik dat we onze kritiek op staatssocialisten, partijcommunisten, linkse liberalen een sociaaldemocraten just extra scherp kunnen stellen door onszelf wel als links neer te zetten.

Eerst dat ernstige bezwaar: ons neerzetten buiten de links-rechts tegenstelling werkt verwarring in de hand. Anarchisten zijn namelijk niet de enigen die dat doen. Veel fascisten doen het ook. ’Niet links, niet rechts’, luidt het motto dan. Dat kun je zien als een truucje om hun extreem-rechtse politiek mee te verhullen. Maar er is meer aan de hand. Fascisten zien zichzelf als echt wezenlijk anders dan de complete partijpolitiek van links tot rechts, ‘het partijkartel’ in de woorden van Baudet. Die hele partijpolitiek moet weg, en in de plaats daarvan moet dan een supersterk leider komen die ons verlost van de politiek verdeeldheid en hardhandig het vaderland redt.

Ook fascisten kunnen zich dus profileren als tegenstanders van de hele politiek, met bijbehorende indeling. Dat het alternatief dat zij ervoor in de plaats stellen totaal anders is dan het anarchistisch alternatief, mag duidelijk zijn. Maar ik zou de kans om als anarchistisch tegenstander van gevestigde politiek verward te worden met een nazi-tegenstander van de gevestigde politiek, toch graag zo klein mogelijk maken. Het is dan ook beter om de fascisten die zich buiten de links-rechts-verdeling plaatsen, te ontmaskeren als extreem-rechts. Het gaat bij fascisme immers om een aanscherping van maatschappelijke ongelijkheid tot in het extreme, en dus om extreem-rechts. Als furieuze, ja extreme tegenstanders van die fascisten plaatst dat ons dan natuurlijk… inderdaad, extreem-links.

Ten slotte die staatssocialisten, partijcommunisten en wat je allemaal niet hebt, en die zich ook links noemen. Zijn zij een voldoende reden om dan zelf maar af te zien van het etiket ‘links’? Niet als we vasthouden aan de duiding ervan die ik hierboven geef! Links zijn betekent tegenstander zijn van maatschappelijke ongelijkheid. Hoe consistenter je dat doet, hoe linkser. Laten we dat criterium eens los op de diverse machthebbende centrale comités en politbureaus in heden en verleden, dan vallen die centrale comités en politbureaus nogal stevig door de mand. Terwijl in de jaren dertig arme mensen in Rusland letterlijk op straat crepeerden, aten de partijbaronnen in sjieke restaurants. Terwijl Mao’s premier Zhou Enlai in 1972 eindeloze banketten aanbood aan president Nixon die op bezoek was, mochten arbeiders en boeren blij zijn met karige kommetjes rijst. Arbeiders stonden eindeloos in rijen voor winkels waar de schappen doorgaans goeddeels leeg waren. Die arbeiders wisten donders goed dat hun baas de directeur terecht kon in winkels die veel beter bevoorraad werden. Precies dat maakte veel mensen zo kwaad op de machthebbers in de communistische eenpartijstaten van Oost-Europa tussen 1948 en 1991: het hypocriete contrast tussen het gepredikte gelijkheidsideaal, en de alom bekende ongelijkheid tussen arbeiders enerzijds en de in de partijbureaucratie gebundelde bazen anderzijds. Maar de kritiek dat de machthebbers de sociale gelijkheidsnorm die ze predikten aan hun laarzen lapten, was en is in de kern linkse kritiek!

En dan heb ik het enkel nog over sociaal-economische ongelijkheid. Juist anarchisten wijzen ook op die andere grote ongelijkheid, de politieke. Daar was en is het onder leninistisch/partijcommunistisch management al helemaal ellendig mee gesteld. Dictatuur van een kleine, oppermachtige groep partijleiders en managers, kracht bijgezet met oproerpolitie, geheime dienst, gevangenissen en concentratiekampen, dit alles in stelling gebracht tegen een onderworpen en maximaal murw geslagen bevolking... Als dat allemaal rechts is, als kapitalistische militaire dictaturen of fascistische regimes zoiets organiseren, is het dan minder rechts als het gebeurt in regimes die zich uitgeven voor links, socialistisch, communistisch?

Alle ongelijkheden die deze stelsels uit naam van linkse waarden overeind houden en soms zelfs aanscherpen, verdienen principiële en meedogenloze kritiek, radicale, revolutionaire verwerping. Net als alle andere ongelijkheden in stelsels die zich niet uitgeven voor links. Maar het zijn juist linkse normen en principes die deze kritiek en verwerping zo effectief kunnen onderbouwen. Er is geen enkele reden om de onderdrukking en uitbuiting in de regimes van Stalin, Mao, Pol Pot, de Kim-dynastie en noem ze allemaal maar op, te erkennen als vertoon van linksheid. Ze zijn er juist het vierkante tegendeel van. Net zo meedogenloos afwijzend vanuit linkse principes kunnen we zijn tegenover de sociaaldemocratische politiek die ongelijkheid verbaal afwijst maar praktisch toedekt, verdedigt en soms zelfs verstevigt.

Wie zijn hier juist links? Wie zijn bij uitstek in de positie om alle, en dus ook zich links noemende onderdrukkende partijen en regimes te kritiseren als onderdrukkend en uitbuitend? Degenen die principieel, onderbouwd en zo consistent als ze maar kunnen, elke maatschappelijke hiërarchie, elke institutionele autoriteit, elke onderworpenheid aan hoger geplaatsten, afwijzen en bestrijden. Zulke mensen staan ook wel bekend als anarchisten. Jazeker, wij zijn links, en niet zo’n heel klein beetje ook. Extreem-links? Uitstekend. Best lief zijn we trouwens evengoed wel. Soms.

Noten:

1 ‘Pete Seeger’, https://en.wikipedia.org/wiki/Pete_Seeger , in het bijzonder paragraaf 2.7 ‘McCarthy era’, https://en.wikipedia.org/wiki/Pete_Seeger (gecheckt 24 augustus 2022)

2 Jim Dann, Hari Dillon, ‘The Five Retreats: A History of the Failure of the Progressive Labor Party’ (1977), https://www.marxists.org/history/erol/1960-1970/5retreats/index.htm met name hoofdstuk 1, ‘PLP at its prime, 1963-1966’, https://www.marxists.org/history/erol/1960-1970/5retreats/chapter1.htm#bk05 (gevonden via Wikipedia, ‘House Un-American Activities’, voetnoot 40 (gecheckt 24 augustus 2022)