-
27 november 2025
Fris en fruitig
Donderdagmiddag, 20 oktober jongstleden, nam een oud-collega, voorzien van zijn pensioen, afscheid als docent van de Hogeschool van Amsterdam. Niet zomaar met een toespraakje hier en een bloemetje daar, maar met een boek waarvan hij één van de redacteuren was. Titel: Wijsheid werkt. Oudere werknemers worden onderschat tot ze ontbreken. Gratis en voor niks en bovendien te downloaden.(1) Gepresenteerd op een druk bezochte bijeenkomst met onder meer groepsdiscussies met de schrijvers en schrijfsters van één van de twaalf hoofdstukken. Evenals in het boek zorgde de vertrekkende Joop Zinsmeister voor een inleiding en afsluiting.
Het boek kent, rond de oudere werker, een veelzijdige inhoud. Van leeftijd tot autonomie in de arbeid. Van vakmanschap tot vernieuwing arbeidsverhoudingen. Van arbeidservaring tot samenwerking met jongere collega´s. Van verouderde kennis tot ontslagbescherming.
Mijn bijdrage, hoofdstuk 2, Oud en wijs: neem en geef het woord, kende als 'opdracht': arbeidsvermogen van de oudere werknemer en de vakbeweging. Door in eerste instantie met name de betekenis van het begrip ´arbeidsvermogen´ uit te zoeken, werd mij weer eens duidelijk hoe ideologisch geladen bijvoorbeeld termen als ´werkgever´ en ´werknemer´ zijn. Dus, hoe ze de sociaaleconomische werkelijkheid van structurele ongelijkheid wegmoffelen en uiteindelijk rechtvaardigen. Een paar citaten kan dat verduidelijken. Met als kanttekening dat mijn bijdrage geschreven is, voordat de overige hoofdstukken mij bekend waren.
citaten
a) Werknemer/werkgever.
De eerste geeft zijn of haar werk voor een loon, is loonafhankelijk, de tweede neemt het resultaat daarvan en betaalt een deel in de vorm van loon. Respectievelijk de ‘werker’ en de ‘patroon’ of ‘ondernemer’.
b) Arbeidsvermogen:
Op zoek naar een representatieve omschrijving van het begrip arbeidsvermogen blijkt het afscheid van het oude tweetal [werknemer/werkgever] ontgaan te zijn aan het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen1.(2) Dit UWV noemt vier kenmerken van het arbeidsvermogen:
1. beschikken over basale werknemersvaardigheden,
2. minstens een uur lang onafgebroken kunnen werken,
3. in een arbeidsorganisatie één of meer taken kunnen uitvoeren waarvoor een werkgever bereid is te betalen,
4. per dag minimaal vier uur een activiteit kunnen verrichten, of twee uur en daarmee het minimumloon kunnen verdienen.
Het lijkt in de formulering van het UWV te gaan over het vermogen van de werker om te arbeiden, maar dan wel uitgedrukt in de voorwaarden van de ondernemer. Het arbeidsvermogen is echter in handen van de werker en bestaat uit een serie verworven kwalificaties als vaardigheden, kennis en ervaring, waarover ‘de arbeidskracht’ beschikt.
Het is deze arbeidskracht die de werker aan de ondernemer verkoopt door de voortbrenging van goederen en diensten. Minimaal moet de werker daarvan kunnen leven om gedurende een langere tijd de gewenste productie te leveren. Zo staan aan de ene kant de menselijke arbeidskracht met het vermogen om te arbeiden en aan de andere kant de fysieke handelingen: de arbeid.
De kwalificaties van jongere en oudere werkers zullen verschillen (subjectief), maar hun loonafhankelijke verhouding ten opzichte van de ondernemer is identiek (objectief) - een verhouding van onderschikking. Een machtsverhouding tussen ‘kapitaal en arbeid’ die zij kunnen betwisten en waarop zij invloed kunnen uitoefenen, maar die niet te ontkennen valt.
c. Duurzame inzetbaarheid
Een regelmatig terugkerend begrip in artikelen over de oudere werker is: 'duurzame inzetbaarheid'. De Sociaal Economische Raad noemt onder meer:(3)
* tot hun pensioen inzetbaar houden van mensen op de arbeidsmarkt,
* stimuleren van een positieve leercultuur,
* kunnen inspelen op veranderingen binnen de organisatie, arbeidsmarkt en hun carrière,
- door rekening te houden met specifieke wensen en omstandigheden zijn werkers bovendien gezonder, productiever en gemotiveerder om hun werk te doen.
In deze benadering van de oudere werker - beschermen en stimuleren - wordt niet uitgegaan van zijn of haar ervaringen en opvattingen. Evenals bij het UWV wordt de oudere werker gezien vanuit de belangen van de ondernemer. Het gaat bijvoorbeeld over ‘verlies van arbeidsproductiviteit’ en ‘verminderd prestatievermogen’ en nauwelijks over de werkdruk, tempo, gezondheid en miskenning.
Duurzame inzetbaarheid wordt als ‘de’ oplossing gepresenteerd en is zelfs letterlijk te lezen als zo lang mogelijk beschikbaar zijn. En vervolgens, bij voorkeur met instemming, voldoen aan de eisen die via de ondernemers door het actuele sociaaleconomisch systeem worden bepaald - als het even kan tot de pensioengerechtigde leeftijd.
d. Vakbeweging
De Nederlandse vakbeweging kent momenten en perioden, waarin zij zich uitgesproken verzet tegen de patroon/ondernemer (inclusief de staat) bijvoorbeeld door stakingen. Zij richt zich echter overwegend op overleg en onderhandelingen die uitmonden in sociaaleconomische akkoorden op het niveau van het bedrijf, de sector of de staat. De collectieve arbeidsovereenkomst, de cao, is daarvan een sprekend voorbeeld; deze kan bindende afspraken bevatten voor onder meer jongere en oudere werkers.
Een klassieke kritiek op onder meer de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging, de grootste vakcentrale met zo'n 870.000 leden) is dat ze in haar verhoudingen met de ondernemer meer ‘meedenkt’ met diens belangen dan deze ‘tegenspreekt’, meer coöperatief dan confronterend handelt ten opzichte van de ondernemers.
Een terugkerende discussie is de invloed van deze koers op de daling van de organisatiegraad van meer dan 35 procent in de jaren 1950-1980, via 28 procent in 1996 naar 15 procent in 2024. De recente crisis die de FNV doormaakt, is onder meer toe te schrijven aan het falende beleid om die neergang te stuiten.
De FNV legt bij duurzame beschikbaarheid de nadruk op het belang voor de (oudere) werker van de actualisering van de kennis en vaardigheden in de uitoefening van zijn of haar werk. Om dat mogelijk te maken, biedt de FNV daarop gerichte scholing aan: een vorm van gerichte belangenbehartiging. Het is hoog tijd dat de oudere werker direct voor de eigen belangen opkomt. Bij voorkeur georganiseerd, bijvoorbeeld in de vakbeweging. Teneinde zich op het niveau van bedrijf en instelling te kunnen bemoeien met zowel de laatste jaren van hun loonafhankelijkheid als de afronding daarvan.
Tot slot
* Nog even terug naar de bijeenkomst van afgelopen 20 oktober. En dan met name de boeiende uiteenzetting van Joop Zinsmeister over de positie en functie van het management in de huidige arbeidsorganisaties. Uitdijende, hiërarchische managementlagen met assistenten en adviseurs. Hij schreef daar eerder over, 20 april 2025, bij webzine Solidariteit, over mensen in onder meer de gezondheidszorg en het onderwijs die door het management aangepakt worden.(4) Een citaat:
Waar je ook komt, je struikelt over managers en de gevolgen van hun aanwezigheid sinds de dwanggedachte van 'marktwerking moet'. Markten ontstaan niet vanzelf, ze moeten geregeld worden. Dat gaat niet zo simpel. Denk aan de privatisering van de zorg: een enorme bureaucratische operatie. Daarvoor zijn tienduizenden managers, inspecteurs en boekhouders ingeschakeld om de 'onzichtbare hand' zijn werk te laten doen tussen de ziekenhuizen, artsen, verpleegkundigen, patiënten en verzekeraars. Maar voor menigeen is het lastig om hun invloed op te merken, want hun gedrag en opvattingen zijn inmiddels onderdeel van wat algemeen 'als normaal' geldt.
De volgende stap in deze analyse zou de beslissende aandacht aan het ondernemerdom moeten zijn dat het management van hoog tot laag aanstelt en zich erdoor laat bedienen om zijn machtspositie te bevestigen en vanzelfsprekend te laten zijn. Anders gezegd: het management dient 'het kapitaal'.
* En letterlijk 'tot slot', ook in het betreffende hoofdstuk:
Voordat ik er zelf in het onderwijs toe behoorde, herinner ik me in de loop der jaren verschillende typen oudere werkers. De uitgebluste betweters die je als een concurrent leken te beschouwen. De collega’s die ‘oncollegiaal’ hun eigen gang gingen. Anderen die je waar mogelijk van dienst waren. En als laatsten, de leerzame minderheid die zich van de directeur en later het management weinig aantrok en zich zeker niet liet intimideren. Ze kozen voor hun vak en stimuleerden de veranderingen daarin. Met een centraal geleide ‘duurzame inzetbaarheid’ hielden ze zich niet bezig.
Noten:
(1) https://www.hva.nl/nieuws/2025/11/wijsheid-werkt.-oudere-werknemers-worden-onderschat-tot-ze-ontbreken, Zie ook bij Konfrontatie digitaal: 26 mei en 30 juni 2025.
