• 01 december 1991
    Linkse discussie

De winterslaap voorbij; Een bijdrage aan inhoud, strategie en organisatie van de socialistische beweging

Ton Geurtsen

Op 7 september jl. organiseerde de Vereniging tot Oprichting van een partij op pacifistisch-socialistische grondslag (VTO-PSP) een diskussiebijeenkomst rond het thema de strategie van het socialisme. Behalve door voormalig PSP-kamerlid Fred van der Spek werd er die dag ook een inleiding gehouden door Ton Geurtsen. De aanleiding om hem voor dit debat te vragen was zijn boek De fabel van het linkse ongelijk, verschenen temidden van de grote omwentelingen in de Sowjet-Unie en Oost-Europa van de afgelopen jaren. Op verzoek van Konfrontatie bewerkte hij zijn betoog voor publikatie.

Het boek dat voor het nu volgende verhaal mede het uitgangspunt vormt (1) is geschreven tegen de achtergrond van de ineenstorting van het stalinisme in Oost-Europa en de Sowjet-Unie aan het einde van de jaren tachtig. Aan de hand van teksten van de libertair-marxiste Rosa Luxemburg, de radencommunist Anton Pannekoek, de religieus-socialiste Henriëtte Roland Holst en de anarchist Arthur Lehning, heb ik een theoretisch onderzoek gedaan naar de betekenis van deze ommekeer. In plaats van al te snel een streep onder het verleden te zetten is het immers van belang van de historie te leren en te achterhalen waarom grootse idealen in hun tegendeel kunnen verkeren. Verwerking van de inzichten van genoemde auteurs blijkt wel degelijk heilzaam om alerter te zijn op fouten in de toekomst, daar zij op het bolsjewisme scherpzinnige kritieken leverden. Bovendien kunnen zij als min of meer representatief worden beschouwd voor het libertair socialisme: het streven naar revolutionaire maatschappijverandering bij behoud van basiswaarden als democratie en vrijheid. Daardoor levert deze stroming in positieve zin aanknopingspunten voor de socialistische omvorming van de maatschappij, een taak die ook, ja juist, in de jaren negentig boven aan de agenda van links zou moeten staan. In het slothoofdstuk van De fabel van het linkse ongelijk heb ik dan ook opmerkingen van meer algemene aard gemaakt, die diskussiestof voor dit agendapunt leveren.

twee soorten socialisme

Om te weten waar we over spreken, is het van belang te omschrijven wat socialisme nu eigenlijk inhoudt. Van dit begrip zijn naar mijn opvatting twee soorten omschrijvingen in omloop. Om te beginnen is er de klassieke definitie, die gehanteerd wordt sinds het ontstaan van de georganiseerde arbeidersbeweging die halverwege de vorige eeuw een antwoord trachtte te vinden op de uitbuiting en vernedering van het proletariaat binnen de kapitalistische maatschappij. Het socialisme dat zich als lange termijn visie met deze beweging verbond hield in de eerste plaats in dat aan de partikuliere eigenaars van de produktiemiddelen de macht ontnomen zou worden. Daarvoor in de plaats zou de gemeenschap eigenaar zijn van de economie en zou het direkte beheer toevallen aan de meest betrokkenen, in die tijd vooral de arbeiders en de boeren. Als tweede werd gepleit voor ontwapening, op internationale schaal, en daaraan voorafgaand de afschaffing van het leger van het eigen land als onderdrukkingsapparaat ten behoeve van de heersende klasse. Als derde en laatste hoofddoelstelling gold het verdwijnen van de staat die de heerschappij van een machtige minderheid diende en zowel kapitalisme als militarisme beschermde. Marxisten spraken van een geleidelijk afsterven van de staat, de anarchisten meenden dat een snelle afschaffing geboden was.

Ondanks het voortdurend geroep van het tegendeel, meen ik dat deze doelstellingen onverkort geldingskracht bezitten. Tegen de stroom in van modieuze en oppervlakkige kretologie als zou het socialisme achterhaald zijn, zou ik willen verdedigen dat de actualiteit ervan juist dramatisch is toegenomen. De technologische almacht en internationalisatie van kapitaal heeft een omvang aangenomen die achteraf duidelijk maakt dat het kapitalisme aan het begin van deze eeuw, toen Lenin zijn beroemde Imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme (1916) schreef, nog maar in de kinderschoenen stond. Nog duidelijker is dat wanneer we oorlog en oorlogsvoorbereiding door de tijd heen vergelijken. De zo gruwelijke Eerste Wereldoorlog was kinderspel vergeleken bij de oorlogen die nu mogelijk zijn, om nog maar te zwijgen van het karakter dat een derde wereldoorlog zal aannemen. Van groot belang is ook de nauwe onderlinge samenhang tussen kapitalisme en militarisme. De Golfoorlog die we in 1991 hebben beleefd, heeft deze verbondenheid en daarmee ook de noodzaak van een socialistisch vredesperspektief overtuigend aangetoond.

Ook op een andere wijze kunnen we de actualiteit van het klassieke socialisme illustreren, en dat brengt me terug op genoemd boek. De geschiedenis van het bolsjewisme, hoezeer die ook in naam van linkse gedachten geschreven is, heeft de noodzaak van socialistische antwoorden bevestigd. In landen waar men zich op Marx en Lenin beriep, werd de economie niet gesocialiseerd, maar bleef deze gedeeltelijk in privehanden en werd grotendeels aan de staat gebracht. Er werd niet ontwapend, maar men bouwde integendeel een leger op met ongekende vernietigingskracht. En de almacht van de staat met zijn verstikking van vrijheidsrechten en inzet van geheime diensten was het omgekeerde van de gewenste ontstatelijking. Degenen die het 'gelijk van rechts' verdedigen, kunnen dat alleen door aan te nemen dat wat 'communistische leiders' zeiden in overeenstemming was met wat ze deden. We kunnen echter vaststellen dat theorie en praktijk haaks op elkaar stonden zodat aan de werkelijkheid van de Sowjet-Unie en Oost-Europa evenveel socialistische argumenten kunnen worden ontleend als aan de realiteit van het westerse kapitalisme.

Socialisme heeft, naast de heldere en zakelijke omschrijving, ook een andere betekenis die waarschijnlijk bijna zo oud is als de wereld zelf. Het betreft een algemeen ideaal van gerechtigheid dat de morele motivatie voor verandering van mens en maatschappij verschaft en tot op de dag van vandaag invloed op de linkse beweging heeft behouden. De invloed ervan is af te lezen uit de ethische gedachten die binnen de sociaaldemocratie opgeld deden, onder meer in de vooroorlogse Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Verder kennen we het religieus socialisme, in Nederland onder meer vertegenwoordigd door de latere Henriëtte Roland Holst. Tenslotte moet natuurlijk worden gewezen op het anarchisme dat, in tegenstelling tot het marxisme, een ethische oriëntatie kent en aandacht vraagt voor morele vraagstukken.

Het nadeel van een dergelijke benadering van socialisme is de vaagheid ervan: linkse politiek vereist nuchtere analyses en veranderingsstrategieën waarvoor ideaalvoorstellingen te kort schieten. Nu hebben aanhangers van het ethisch gemotiveerde socialisme dat ook zelf wel beseft. Een aardig voorbeeld binnen de Nederlandse politieke verhoudingen is de Christelijk Democratische Unie, de CDU die van 1926 tot vlak na de Tweede Wereldoorlog bestond en waarvan de resterende leden na de opheffing deels in belangrijke mate bijdroegen aan de ethisch georiënteerde richting in de toen opgerichte Partij van de Arbeid en deels in een latere fase toestroomden tot de Pacifistisch Socialistische Partij. Hoewel in de PSP tijdens de beginperiode met sterk ethisch getinte programma's werd gewerkt, gold dat voor de CDU als een van haar voorlopers in veel sterkere mate. De partij ging uit van de geldigheid van 'Gods Woord' en nam deze leidraad bijna bovenaan in haar statuten op. Maar haar protestantse grondslag belette de partij niet hieruit een heldere anti-kapitalistische en anti-militaristische visie te destilleren.

vernieuwd socialisme

Socialisme als algemeen gerechtigheidsideaal heeft ook duidelijk haar voordelen getoond. De klassieke omschrijving van socialisme is bij uitstek een mannelijke definitie. De private eigendom in de economie, de bewapeningspolitiek en de heerschappij van de staat spelen zich immers af in het mannendomein van de maatschappij. Zo is socialisatie een doelstelling die uitsluitend betrekking heeft op het openbare leven, terwijl de levens van vrouwen zich al enkele eeuwen lang voor het overgrote deel daarbuiten afspelen. De grote nadruk die door de linkse beweging steeds is gelegd op de productiesfeer als handvat voor veranderingen sluit problemen in de sfeer van de reproductie uit of beschouwt deze als afgeleide van economische veranderingen. Daardoor worden zowel analyses als veranderingsmogelijkheden van de maatschappij sterk ingeperkt.

Door socialisme in meer algemene zin te formuleren kunnen vergeten problemen en vergeten groepen er bij betrokken worden. Om tegelijkertijd een heldere omschrijving als richtingwijzer voor ons werk te verkrijgen, lijkt een pleidooi voor een socialisme met vier ingrediënten voor de hand te liggen. En dat vierde ingrediënt zou patriarchaat genoemd kunnen worden. Hieronder dienen we meer te verstaan dan een eenvoudig schema dat 'mannen vrouwen onderdrukken', hoe waar dat meestal ook is. Patriarchaat duidt op een systeem van overheersing, dat slachtoffers maakt in drievoudig opzicht.

Ten eerste wordt de natuur overheerst, een probleem dat gezien de proporties van de huidige milieuvernietiging geen nadere toelichting behoeft. Maar in dit verband is van belang dat in onze cultuur een diepe, minachtende associatie bestaat tussen de natuur en het 'vrouwelijke'. De overheerser wordt als 'mannelijk' gezien en dringt, naar de veelzeggende woorden van de filosoof Francis Bacon, de natuur binnen zoals een man de vrouw binnendringt.

Ten tweede zijn het de eigenschappen die algemeen als 'vrouwelijk' worden beschouwd, die ondergeschikt gemaakt worden aan de 'mannelijke'. Wat zich voordoet in de wereld van de emoties, de intuïtie, de dromen, de fantasie, de erotiek, in het algemeen van het intieme gevoel, is de ongestruktureerde diepere bestaansbasis van de mens en dient als zodanig erkend te worden. Maar deze belevingen boezemen dusdanig veel angst in dat men ze liever omvormt, kneedt, onder kontrole houdt en uiteindelijk zelfs uitschakelt ten behoeve van een wereld waarin arbeiden, konkurreren, presteren en machtsuitoefening de boventoon voeren en die wereld een 'rationele' ofwel 'mannelijke' aanblik geven.

Als derde zijn bepaalde groepen en individuen het slachtoffer van een systeem van man-georiënteerde waarden omdat zij de boot van de overheersings-orde gemist hebben en onderaan de hiërarchie terecht komen. Centraal daarin staat de positie van vrouwen omdat zij bij uitstek als vertegenwoordigers van de natuur en het natuurlijke worden gezien. Dat heeft hen een eeuwenlange geschiedenis van onderdrukking opgeleverd die niet te maken heeft met een duister complot, maar met zich in elk nageslacht opnieuw reproducerende mechanismen waarvan beide geslachten zich vaak nauwelijks bewust zijn.

Met deze uiteenzetting is tevens gezegd dat voor een levensvatbaar socialisme selektief van oude en nieuwe ontwikkelingen gebruik moet worden gemaakt. Vele decennia lang leed de meerderheid van links aan de kwaal stil te blijven staan bij ooit geformuleerde 'grootschalige' hoofddoelstellingen. Nadat de inhaalmanoeuvre was voltooid doordat zich emanciperende groepen doelstellingen toevoegden en oude uitgangspunten wijzigden, deed zich een nieuw probleem voor: nu was het oude achterhaald. Intussen zijn we bij ons in de westerse wereld zover dat het oude revolutionaire socialisme drastisch op haar retour is (bijvoorbeeld: de sociale markteconomie wordt ongekend breed aanvaard) en dat tevens veel van het nieuwe radikalisme in de burgerlijke maatschappij is doodgelopen (bijvoorbeeld: de ruk naar rechts van de grote meerderheid van de vrouwenbeweging).

Het enige levensvatbare uitgangspunt lijkt mij daarentegen om ons aan de ene kant verbonden te weten met onze historie, in het bijzonder de op emancipatie en vooruitgang gerichte stromingen, groepen en individuen daarbinnen. Aan de andere kant dienen we open te staan voor vernieuwingen, niet om deze alsof het de nieuwste schoenenmode betreft verlekkerd in de armen te vallen, maar om ze kritisch te beoordelen. Maar links wordt in deze dubbele taak belet door een tweetal probleemcomplexen die haar bij voortduring parten spelen en die tot op de dag van vandaag blijven terugkeren. Zowel de neiging tot sociaaldemocratisering als de hang naar macht voorkomen dat oud en nieuw radikalisme hun revolutionaire inhoud behouden, laat staan in combinatie met elkaar stand houden.

sociaaldemocratisering

Het naar rechts opschuiven van politieke bewegingen en partijen is een veelvoorkomend en zich generatiegewijs herhalend proces. Dit wijst er op dat het mensen moeilijk valt zich in voortdurende oppositie tegenover de bestaande orde te bevinden, anders gezegd: in een isolement te verkeren. De politieke term voor deze algemeen-menselijke neiging tot aanpassing is sociaaldemocratisering, die specifiek betrekking heeft op socialistische ideeën die in de loop der tijd worden afgezwakt, omgebogen en uiteindelijk losgelaten.

Nemen we als voorbeeld de SDAP. Afhankelijk van de aangehangen politieke ideologie kan men stellen dat het met deze partij al fout ging bij de oprichting, toen de anarchisten afhaakten vanwege de bereidheid van de partij haar doelstellingen mede via de parlementaire weg te realiseren; we kunnen ook 1909 noemen, toen de linkervleugel (als eerste in West- en Midden-Europa) zich afsplitste en overging tot de stichting van de Sociaal-Democratische Partij (SDP), de voorloper van de latere communistische partij; enkele jaren later bleek de Nederlandse sociaaldemocratie bereid haar aanhang naar de slachtbank van de Eerste Wereldoorlog te helpen voeren, hetgeen voor de communisten de noodzaak van genoemde scheuring bevestigde, een scheuring die ook in andere landen optrad; we kunnen naar de dertiger jaren gaan, toen een nieuw beginselprogramma voor de SDAP (1937) werd vastgesteld waarin veranderingen die zich in de praktijk voor een belangrijk deel al voltrokken hadden, formeel werden vastgelegd, hetgeen onder meer het afzweren van de klassenstrijd, het afzien van de eenzijdige ontwapening en het schrappen van de socialisatie betekende; of twee jaar later, toen de partij haar bezwaren tegen vaste samenwerking met burgerlijke partijen ook op regeringsniveau voorgoed liet varen en met hen deelnam aan de staatsmacht; en we zouden nog kunnen wijzen op het jaar 1946, toen de SDAP met partijen rechts van haar samenging in het kader van de doorbraakgedachte die uitliep op de stichting van de PvdA. Zelf heb ik de neiging het breekpunt te leggen bij de opstelling ten aanzien van de oorlog 1914-1918, maar belangrijker is het vast te stellen dat hier sprake is van een proces dat van kwaad naar erger gaat. Wat sociaaldemocratisering concreet betekent, kunnen we illustreren aan de hand van de bewapeningspolitiek.

In de eerste plaats worden lange termijn doeleinden opgegeven ten behoeve van datgene wat Henriëtte Roland Holst eens in een adem benoemde als oogenblikssuksessen. Wat eerst slechts een tussendoel vormde (bijvoorbeeld het verminderen van de bewapening) gaat fungeren als einddoel, zodat de hoofddoelstelling van algemene ontwapening uit het zicht verdwijnt en dus onbereikbaar wordt. Dat laatste gebeurt niet omdat deze verliggende doelstelling min of meer objektief onhaalbaar zou zijn, maar omdat steeds meer mensen gaan verkondigen dat deze onhaalbaar is. Naarmate dit op groter schaal gebeurt, wordt dit doel steeds utopischer en toegeschreven aan onrealistische geesten.

De mogelijke tegenwerping zou kunnen luiden dat bij 'gebleken' onhaalbaarheid van lange termijn doelen, de sociaaldemocratie dan tenminste voor de korte termijn veranderingen het beste bewerktuigd is. Maar deze stellingname snijdt geen hout en dat brengt me op het tweede punt. Door lange termijn doelen los te laten, worden immers de marges voor veranderingen verkleind. Wanneer de nationale staat aanvaard is en veranderingen binnen dit kader dienen plaats te vinden, zal het in elkaar meppen van een militair vliegtuig, zoals de laatste jaren een aantal malen gebeurd is, worden gezien als een overtreding van de rechtsorde, waarop politioneel, militair en strafrechtelijk optreden volgt. Vanuit een socialistisch perspektief daarentegen zal men de vernietiging van militair materieel als een bijdrage aan ontwapening en daarmee als een opperste daad van vrede beschouwen.

Maar er is nog een derde kenmerk van sociaaldemocratisering, namelijk de bereidheid om aktief verantwoordelijkheid te dragen voor de bestaande orde. De geschiedenis van de sociaaldemocratie is er een van voortdurende activiteit om radikale veranderingen tegen te houden. Zo heeft de Nederlandse PvdA de volle medeverantwoordelijkheid op zich genomen voor een berekende massamoord op naar schatting 300.000 mensen in Irak. Inzet van napalm en fosfor, het levend begraven van soldaten, het bombarderen van burgerdoelen, het massaal laten sterven van kinderen door besmettelijke ziekten zijn zo de wapenfeiten van een partij die nog steeds 'links' wordt genoemd.

Alle uitroepen dat een terugkeer naar socialistische uitgangspunten zou zijn ingegeven door 'gebrek aan realisme' of 'nostalgie' kunnen sociaaldemocratisering als de werkelijke reden niet verhelen. Des te sterker geldt dit wanneer dit verschijnsel gekoppeld is aan het andere genoemde probleemcomplex: de verabsolutering van het machtsstreven.

macht

Uit de voorgaande kritiek op het verschijnsel sociaaldemocratisering kan worden afgeleid hoe groot het belang is van het vasthouden aan lange termijn doelen en het daarop toetsen van veranderingen op korte termijn. Maar tevens volgt er uit dat in een maatschappij waartegenover socialistische ideeën in permanente oppositie staan, het plaats nemen op leidende posities moet worden uitgesloten. In de linkse beweging is dit verlangen tot het innemen van machtsposities heel sterk en het is dit verlangen dat naar mijn opvatting de belangrijkste verklaring voor sociaaldemocratisering vormt.

Het uitoefenen van macht kan zeker niet in zijn algemeenheid worden afgewezen: het oordeel wisselt met het soort macht waar we over spreken.

In de eerste plaats is er macht in een neutrale zin, namelijk die over de natuur. Tot op een bepaalde hoogte kan de mens zich daarmee beveiligen tegen schadelijke natuurinvloeden: men bouwt een stuwdam om niet te verdrinken. Boven een bepaalde grens echter wordt deze macht een negatieve faktor, daar ze tot vernietiging van het natuurlijk milieu leidt.

In de tweede plaats kan macht een heel positief menselijk streven aanduiden, namelijk om greep te krijgen op het eigen bestaan. Wie zijn of haar leven niet door autoriteiten wil laten bepalen, tracht er onafhankelijk van te worden en verkrijgt bij elke stap in die richting meer macht.

Pas de derde machtssoort is als ronduit negatief te beschouwen: het overheersen van mensen. In veel situaties blijkt dit zich min of meer onvermijdelijk voor te doen, bijvoorbeeld waar in een bevrijdingsstrijd persoonlijk geweld plaatsvindt. Dit zijn echter ontwikkelingen die een nederlaag inhouden en van negatieve invloed zijn op de nagestreefde doelen. Om deze macht is het me hier te doen.

Dat het veroveren van machtsposities bij velen zo centraal staat is een poging van hen om te ontkomen aan een als ondraaglijk ervaren isolement dat het gevolg zou zijn van de consequente keuze tot niet-aanpassing aan de status quo. Het is een schijnbaar passende reaktie op de diepgewortelde angst voor uitstoting door de gemeenschap: de niet-aangepasten kennen een geschiedenis van vernedering, uitstoting, foltering en vernietiging. Of, met de titel van een door Philo Bregstein gemaakte documentaire over Pier Paolo Pasolini: wie de waarheid zegt, moet dood. Het is voor niemand vol te houden onophoudelijk en in alle opzichten tegenover de maatschappij te staan. Door plaats te nemen op leidinggevende posities, bijvoorbeeld binnen het staatsapparaat, denkt men zich niet langer machteloos te hoeven voelen. Bovendien is aanpassing ook een uiting van het banale gegeven dat men egoïstisch eigenbelang zou kunnen noemen.

De innerlijke behoefte aan zekerheid bevredigen via erkenning van en deelname aan de bestaande maatschappelijke instituties is echter geen 'natuurlijke' reactie, maar een mogelijke variant waaraan links juist weerstand moet bieden. Aanpassing uit zelfbehoud is voor links aan zeer nadrukkelijke grenzen gebonden. De mens is immers ook een vrijheid zoekend, opstandig en ongehoorzaam wezen en hieruit volgt de tweede variant op het streven naar zelfbehoud, namelijk die van het verzet. Maar juist door de faktor macht slaat deze verzetshouding gemakkelijk om in aanpassing.

Het hier geschetste machtsprobleem heeft links op desastreuze wijze de das om gedaan, hetgeen ik wil illustreren aan het stalinisme. De ontbinding van het bolsjewistische wereldimperium heeft een aantal, voor velen wellicht verrassende gevolgen gehad. Zij die binnen de zogenaamde communistische partijen posities innamen, belangrijk genoeg om er privileges aan te kunnen ontlenen, bleken merkwaardige politieke kameleons toen de machtsverhoudingen zo ingrijpend veranderden. Enkele aan artikelen ontleende voorbeelden: (2)

* De aanhang van de Hongaarse socialistische (voorheen: 'communistische') partij koos tijdens verkiezingen in 1990 in belangrijke mate voor het rechtse (en deels ook anti-semitische) Democratisch Forum.

* Uit een opinie-onderzoek, gehouden vlak voor de verkiezingen in de toenmalige DDR, bleek dat ongeveer 75% van de voormalige SED-leden niet op de PDS zou stemmen, maar grotendeels conservatief.

* In Roemenië kwam na de val van Ceausescu de extreem-rechtse beweging Vatra Romanesca naar voren, geleid door ex-Securitate agenten. De beweging ageert tegen Hongaren, zigeuners en joden en roept op om "niet bang te zijn hun smerige bloed te vergieten". Want: "Ceausescu heeft niet lang genoeg geleefd om ze te vernietigen".

* Voormalige leden van de communistische partij van de Sowjet-Unie bleken aan het einde van de jaren tachtig de belangrijkste posities te hebben veroverd in de economie, die bezig was over te gaan naar een vrije markt kapitalisme. Zij stichtten commerciële banken, drongen het verzekeringswezen binnen, kochten fabrieken op en investeerden in nieuwe bedrijfstakken.

* Voormalig stalinistisch partijkader uit Bulgarije heeft kapitalistische firma's opgezet in onder andere Wenen, Zwitserland en Frankrijk.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de politieke inhoud van een beweging zijn betekenis verliest op het moment dat deze met macht verknoopt raakt. Die inhoud kan dan ook opvallend snel veranderen en vele politieke gedaanten, van sociaaldemocratisch tot fascistisch, aannemen.

doel en middelen

Het is gebruikelijk sociaaldemocratisering van toepassing te verklaren op het proces waarin de socialistische beweging naar rechts opschoof, en de extreme hang naar macht te identificeren met het stalinisme. Maar bij nader inzien blijkt ook het omgekeerde het geval te zijn. Enerzijds kunnen we ook voor de sociaaldemocratie de behoefte constateren binnen de bestaande strukturen te willen opereren zodat de formeel aangehangen idealen ten onder gaan in het spel om de macht. Anderzijds is ook het bolsjewisme al snel aan een sociaaldemocratiseringsproces ten prooi gevallen.

Bovendien moeten we hier op laten volgen dat linkervleugels van beide stromingen of groeperingen die los daarvan als reactie op beide ontstonden, op hun beurt door dezelfde mechanismen getroffen worden. Na de Tweede Wereldoorlog werd de linkerzijde van de partijpolitiek gedomineerd door de PvdA, nauw verbonden met het westerse status quo-denken, en de CPN, evenzeer met de bestaande orde vergroeid, maar dan met die uit het oosten van Europa. Als reactie op deze krachten werd, teruggrijpend op het libertaire socialisme, een derde weg uitgestippeld.

De Nederlandse partijpolitieke vertegenwoordiger daarvan werd de in 1957 opgerichte PSP. Maar ook deze intussen opgeheven partij kon op den duur de neiging naar rechts niet weerstaan. In de tachtiger jaren werd zij verscheurd door scherpe interne twisten die enerzijds een loslaten van radikale politieke uitgangspunten betekende. Zo was in 1985 al bijna de helft van de partij voorstander van het schrappen van de volledige socialisatie uit het partijprogramma. Anderzijds kreeg het proces van machtsvorming met andere partijen en de daarmee samenhangende bestuurlijke verantwoordelijkheid steeds duidelijker gestalte. De bereidheid tot het leveren van wethouders, gedeputeerden en ministers werd regelmatig en nadrukkelijk uitgesproken en deels in praktijk gebracht. De PSP werd daardoor rijp om op te gaan in Groen Links dat immers verder uit partijen bestaat die nooit socialistische uitgangspunten hebben gehanteerd en bestuurlijke verantwoordelijkheid altijd vanzelfsprekend hebben gevonden.

Het samengaan van sociaaldemocratisering en de hang naar macht is ook van grote invloed op de psyche van de individuen en hun wijze van optreden binnen organisaties. Want het opheffen van ervaren isolement en het behartigen van eigenbelang speelt natuurlijk niet alleen op maatschappelijke schaal, maar ook in het klein. Binnen de PSP werd zichtbaar dat velen die nog enkele jaren daarvoor de radikale standpunten verwoordden, binnen korte tijd daarvan begonnen in te leveren. De groepsdwang wordt blijkbaar zo sterk ervaren dat velen meegaan in de stroom van herziening van uitgangspunten, want ook binnen een organisatie is het niet prettig consequent voor minderheidsstandpunten op te komen. Tegelijkertijd werd de neiging sterker zich vast te willen klampen aan verworven machtsposities in de vorm van bestuursfunkties, lidmaatschappen van vertegenwoordigende lichamen en betaalde banen.

Uit de verschijnselen van sociaaldemocratisering en machtsstreven, zowel op maatschappelijk nivo als op dat van de eigen organisatie, komt naar voren waarin het centrale probleem van links gelegen is: in het verbreken van de relatie tussen doel en middelen. Sociaaldemocratisering kan immers ook worden geformuleerd als het proces waarin datgene wat oorspronkelijk slechts een middel was tot een verliggend doel, tot doel op zichzelf wordt. Het centraal stellen van de macht kan ook gezien worden als het zo absoluut stellen van het doel, dat de gebruikte middelen er niet meer toe doen. In het eerste geval is er sprake van verrechtsing, in het tweede geval van verloedering. Gaan beide processen samen, dan zien we dat steeds gematigder doelen met steeds ongepaster middelen worden nagestreefd. Het eindresultaat klinkt even eenvoudig als teleurstellend: het socialisme is verdwenen.

Een van de weinigen uit de geschiedenis van de linkse beweging die in haar publikaties op dit probleem gewezen heeft, is Henriëtte Roland Holst. In haar boek De geestelijke ommekeer en de nieuwe taak van het socialisme (1931) schreef zij:

"Het socialisme vervlakt, als het opgaat in het ogenblik en in tijdelijk begrensde doelstellingen, in plaats van deze ondergeschikt te maken aan het boven-tijdelijke. Het vervlakt, wanneer het zijn eigen rangorde van waarden niet scherp plaatst tegenover die van het kapitalisme, doch beider waarderingen terwille van ogenblikkelijke successen met elkander vermengt. Het socialisme verwildert, als het om macht te verwerven en te behouden, zijn toevlucht neemt tot middelen, die in strijd zijn met zijn wezen, en die, vooral zo zij lange tijd achtereen worden toegepast, het zedelijke karakter van de strijders schaden en de strijd naar omlaag trekken. Zodra het socialisme naar de ene of de andere zijde teveel afwijkt van de norm, gaat elk uiterlijk succes met innerlijk verlies samen, omdat elk succes het bewustzijn van eigen hoogste streven verzwakt. Het socialisme dat gelooft, zijn doeleinden te bereiken door aanpassing aan de burgerlijke maatschappij en door het steunen van bepaalde burgerlijke groepen, die het als het 'kleinere kwaad' beschouwt, wordt voortgedreven op de weg der consessies aan de kapitalistische klasse. Het wordt van binnen al meer uitgehold, tot tenslotte van de socialistische kern niets meer over is. Maar ook het socialisme, dat van de verovering der macht een afgod maakt, ter wille daarvan voor geen gewelddadige methoden, geen onderdrukking der persoonlijkheid terugdeinst, wordt van zijn wezen vervreemd". (3)

partij of beweging?

Een belangrijke vraag is natuurlijk die naar de gewenste organisatievormen voor een linkse beweging die aan genoemde twee probleemcomplexen het hoofd kan bieden. De diskussies hierover komen meestal neer op de keuze voor het traditionele partijmodel, al zo lang de 'erkende' wijze van politiek bedrijven, dan wel voor een meer los opererende beweging. Het antwoord volgt niet vanzelf uit de hiervoor genoemde inhoudelijke en strategische voorwaarden voor een socialistische beweging. De vraag 'partij of beweging' is een pragmatische vraag die, afhankelijk van het tijdsgewricht waaronder we leven, anders beantwoord zal worden.

Vanwege de ervaringen binnen politieke partijen met sociaaldemocratisering en macht pleit de historische ontwikkeling sterk tegen het werken met een partijmodel. Bovendien kan men zich afvragen of de oorspronkelijke betekenis die aan een linkse partij werd toegekend nog wel geldingskracht bezit. De funktie ervan was gekoppeld aan de fase van de zich ontwikkelende arbeidersbeweging in het begin van de eeuw, toen haar emancipatie binnen de burgerlijke maatschappij een aanvang nam. De SDAP, met haar sterke electorale basis onder het proletariaat, oriënteerde zich op volwaardige deelname aan de parlementaire democratie via verovering van het algemeen kiesrecht. In die periode was de keuze voor een politieke partij weliswaar niet vanzelfsprekend - denk aan de sterke anarcho-syndikalistische linkervleugel -, maar wel veel meer voor de hand liggend. Op dit burgerlijke stadium dat de arbeidersbeweging doorlopen heeft is de beweging van arbeiders gevolgd die niet meer voor zich laat denken en handelen, maar zelf haar historische taken ter hand neemt.

Aan het einde van de jaren zestig deed een nieuw fenomeen zijn intrede. Hoewel er natuurlijk al veel eerder 'bewegingen' bestonden, werd de geboorte aangekondigd van een geheel nieuw soort activisme dat zich schaarde onder de verzamelnaam beweging. Het gebruik van deze term duidt tegenwoordig op het geheel van activiteiten die plaatsvinden vanuit onder meer de vrouwen-, de homo-, de werk-, de milieu-, de anti-kernenergie-, de kraak- en de anti-militaristische bewegingen. Doordat deze verwaarloosde c.q. nieuwe problemen aan de orde stellen en op andere maatschappelijke groepen dan de arbeiders steunen, wordt het zelf denken en handelen zonder representatieve organisaties die partijen doorgaans zijn, naar een breder gebied uitgebreid. Met de opbouw van een tegenkultuur, de ervaring die wordt opgedaan met federatieve, niet-hiërarchische strukturen en de direkte aktie vanuit de eigen leefomgeving wordt een belangrijk alternatief voor het partijenwezen geschapen.

Nu is er op deze bewegingen natuurlijk ook veel aan te merken. Enerzijds omdat verschijnselen van sociaaldemocratisering en macht zeker niet aan hen voorbij zijn gegaan, ook al zijn deze door het ontbreken van taaie, burocratische strukturen in de regel een veel minder lang leven beschoren dan binnen partijen. Anderzijds ontbreekt het hen vaak aan continuïteit: een waaier aan groepjes komt op, gaat neer, maakt een opleving door en stort weer in. Een ander probleem is de afwezigheid van een richtinggevende toekomstvisie, van socialistisch onderbouwde idealen die de dagelijkse praktijk een hogere politieke zin verschaffen dan alleen het reageren op een enkele misstand of het voortgaan in de eigen subcultuur. Het is daartegenover van groot belang om vastere kaders en sterkere ideologische bindingen te scheppen om een snelle teloorgang te kunnen voorkomen. Op beide punten moeten we stellen dat politieke partijen een betere staat van dienst hebben.

De conclusie lijkt gewettigd dat er geen eensluidend organisatorisch antwoord op de vraag 'partij of beweging' mogelijk is, maar dat bij het bestaan van zowel een radikale beweging als een radikale partij, een grote mate van flexibiliteit en dus intensief onderling contact vereist is. Misschien kan dit leiden tot nieuwe organisatorische vormen waarin de voordelen van beide aan bod komen:

Stel je eens voor. Een groep mensen, - deels wel en deels niet actief in bewegingen - , steekt de koppen bij elkaar. Ze besluit tot de oprichting over te gaan van een organisatie, die bespreekt wat haar te doen staat en de uitkomsten op papier zet. Er ontstaan werkgroepjes die politieke standpunten uitwerken die in discussiebijeenkomsten door het hele land besproken worden. De actualiteit wordt intensief gevolgd en regelmatig wordt deelgenomen aan akties. Er wordt aan theorievorming gedaan en misschien zelfs wetenschappelijk onderzoek. Er worden afdelingen opgericht die geheel zelfstandig politieke actie ondernemen. De besluitvorming over kwesties die iedereen aangaan vindt plaats in een federatie van afgevaardigden uit actieve groepen, die onmiddellijk terugroepbaar en afzetbaar zijn. Zij zijn geen bestuurders, want een bestuur bestaat niet meer en de functies van voorzitter en politiek secretaris zijn afgeschaft. Betaalde banen komen er niet, want iedereen werkt op vrijwillige basis en aan niemand worden privileges toegekend. Er komt een politiek program dat zich baseert op radikaal-socialistische uitgangspunten en de macht tart zonder daar zelf aan deel te nemen. Een nieuw politiek project is geboren. Naar een naam wordt nog gezocht.

Ton Geurtsen

Noten

1. Ton Geurtsen, De fabel van het linkse ongelijk. De bolsjewistische katastrofe: een nieuwe kans voor het socialisme. Met libertaire teksten van Rosa Luxemburg, Anton Pannekoek, Henriëtte Roland Holst en Arthur Lehning. Rode Emma, Amsterdam 1990.

2. Volkskrant, 29 - 3 - 1990, 10 - 4 - 1990, 14 - 4 - 1990, 22 - 7 - 1991; Intermediair 1 - 2 - 1991.

3. Henriëtte Roland Holst, De geestelijke ommekeer en de nieuwe taak van het socialisme. Van Loghum Slaterus, Arnhem 1931, p. 136/137.