zaterdag, 1 juni 1991

Er gebeurt veel. Elke dag wordt de wereld een beetje lelijker. Ontelbare bezorgde, zich links noemende mensen hebben er van alles aan gedaan om er iets mooiers van te maken, maar het viel niet mee. Lange tijd was het marxisme een belangrijke inspiratiebron van linkse bewegingen. Nu zo veel stellingen van het marxisme ondergraven zijn, wordt het tijd ook eens de strategische keuzes van het marxisme te heroverwegen, en nieuwe paden te gaan verkennen.

Het mooiste van het marxisme was de belofte van de Revolutie en van het communisme dat zou volgen. Maar zo snel ging het niet. De revolutie liet nog even op zich wachten. Zich communistisch noemende regimes in het Oosten vielen door de mand. In het Westen kwamen weliswaar sociaaldemocraten 'aan de macht', maar die macht bleek niet veel voor te stellen. De vakbeweging werd steeds minder 'revolutionair', stelde slechts looneisen of vroeg om meer banen. Andere, 'nieuwe' sociale bewegingen brachten veel nieuw elan, maar toen de overheid eenmaal met ze om wist te gaan, bleken ook hun mogelijkheden zeer beperkt. Intussen werd de wereld almaar lelijker. 'Kritische' journalisten en wetenschappers stonden erbij en beschreven het. Machteloos.

Het optimisme was blijkbaar misplaatst, zoals ook enkele centrale stellingen en vooronderstellingen van het marxisme. Het marxisme verloor veel van zijn uitstraling, werd op tal van punten bekritiseerd en vervolgens geherformuleerd. Alle nuanceringen maakten het tot een bruikbaarder denkkader. Het leidde alleen niet tot een goede strategiediscussie. Sociale bewegingen gingen door met wat ze altijd al deden, alleen minder leuk, minder spontaan, minder ludiek. Geen wonder dat er steeds minder mensen in geloofden, dat mensen wegliepen en andere dingen gingen doen. Om werkelijk iets te bereiken zullen we eerst heel wat beter naar de mensen en de maatschappij moeten kijken. Creatiever gaan denken over veranderingsstrategieën. We moeten iets nieuws bedenken.

rampjaar

Een zondagavond in mei. Er is weer eens een grote show op de televisie. In het voorjaar van 1991 is de ellende niet te overzien. De oorlog in Koeweit en Irak is nog lang niet vergeten als onze aandacht getrokken wordt door de agressie van Saddam tegen de Koerden in Noord-Irak. Het stelt ons voor een moeilijk dilemma: kunnen we zonder hypocriet te zijn Bush verwijten dat hij Saddam's regime niet omver heeft geworpen om zo deze slachting en de erop volgende hongersnood te voorkomen? We kunnen zeggen wat we altijd al zeiden, dat de soevereiniteit van de Koerden erkend moet worden, dat ze recht hebben op een eigen land. En we hebben gelijk. Maar meer ook niet.

Een televisieavond in mei. Een paar duizend kilometer verderop wordt een half land overspoeld en heen en weer geschud. Miljoenen mensen verliezen hun huis, hun vee, hun oogst, hun dierbaren, hun leven. Wij, ecologische fundamentalisten, menen dat die mensen daar ook niet horen, dat ze door erosie of door terreur van drogere, veiliger gronden verdreven zijn, dat ze ook niet met zovelen zouden zijn als overlevingskansen beter verdeeld zouden zijn, dat de golf niet zo hoog zou zijn geweest als het niet was vanwege het broeikaseffect. Maar daar schieten ze in Bangladesh ook niet veel mee op.

Een zondagavond in mei. Tussen twee videoclips door krijgen we ook nog wat beelden te zien uit de Hoorn van Afrika. Ze zouden ook kunnen stammen uit de tijden van 'Een voor Afrika' of 'Afrika Nu'. Er wordt zelfs bij gezegd dat het deze keer weer veel erger is. Zie je wel, denken we in stilte. Al die noodhulp heeft geen zin zolang er niet tegelijkertijd een structuur wordt geschapen waarin boeren en boerinnen gewoon hun eigen voedsel kunnen verbouwen. Natuurlijk, we hebben gelijk.

Mei 1991, zondagavond. De televisieshow lijkt op Live Aid, maar de verrassing is er alweer vanaf. Chris de Burgh mist de uitstraling van Bob Geldof. De oneerbiedige vraag dringt zich nog sterker op naar het waarom van de uitzending. Is het aardige propaganda voor die artiesten, een leuk avondje televisie, of gaat het er toch echt om, mensen te helpen? Maar ik weet ook: cynisme is makkelijk. Een alternatief formuleren is heel wat moeilijker. Wat stelt links voor om de noden te lenigen van al die Koerden, Bangladeshi, Ethiopiërs en ga zo de aarde maar rond? En wat hebben we daadwerkelijk gedaan om deze toestanden te voorkomen? Het beangstigende gevoel bekruipt me dat wij deze mensen ook niet veel te bieden hebben.

Zoals we ook niet veel tegen zure regen en broeikaseffect uit blijken te kunnen richten. Of tegen de voortgaande verbrokkeling en verarming van onze eigen levens, en de verspreiding van die levensstijl over de hele wereld. We hebben het wel in de gaten, maar zijn niet bij machte er iets tegen in te brengen. De strategieën van linkse bewegingen voldoen gewoon niet. We moeten een list verzinnen.

vast en zeker

Waarom blijven sociale bewegingen doen wat ze doen?

Zijn er geen effectievere strategieën te bedenken?

Wordt er niet naar gezocht? Is men niet creatief genoeg? Of zijn ze er gewoon niet?

Veel groepen zitten natuurlijk vast(geroest) in een bepaald patroon van activiteiten. Sommigen krijgen er subsidies voor en proberen ze zo te ontwerpen dat ze opnieuw in het straatje van de subsidiegevers zullen passen. Anderen zijn op een vergelijkbare manier gebonden aan de waarden en normen van een grote gematigde achterban. Verder heb je nog talloze groepen die veel onafhankelijker zijn, maar die al hun energie stoppen in het voortzetten van 1 bepaalde activiteit: ze maken een blaadje, ze houden een kleinschalig bedrijfje draaiende, ze financieren aardige ontwikkelingsprojecten, enzovoorts. Allemaal erg waardevol en bevredigend maar... niet genoeg. Het kleine maar concrete succes frustreert het zoeken naar het meer vernieuwende.

Heeft het misschien ook te maken met de analyses van links, met het denkkader? Zoals gezegd zijn nogal wat centrale stellingen van het marxisme ter discussie gesteld in de afgelopen decennia. Veel van wat over tafel is gegaan is relevant voor de strategiediscussie in sociale bewegingen.

een explosie

Laat ik bij de basis beginnen. En de bovenbouw erbij nemen. De kunstmatige tweedeling van de maatschappij, kortom, die voor Marx zo belangrijk was. De stelling dat alles in het leven uiteindelijk bepaald wordt door de economie: de sfeer van arbeid en produktie. Marx wilde met deze tweedeling de invloed benadrukken die de economie en dus de economische machthebbers hebben op andere onderdelen van de mensenmaatschappij. Op hoe het 'politieke spel' gespeeld wordt, op de rol van religie in de samenleving, op cultuur in de ruimste zin van het woord.

Deze stelling zal door velen nog onderschreven worden. Weinigen echter geloven er nog in dat bijvoorbeeld religie of cultuur de 'uitdrukking' of 'afgeleide' zijn van de economische machtsverhoudingen. Dat ze geen interne dynamiek zouden hebben, noch op hun beurt invloed zouden hebben op de economie. In de tijd van Althusser was het even mode om te stellen dat de bovenbouwfenomenen weliswaar 'relatief autonoom' waren, maar toch 'in laatste instantie' bepaald werden door de basis. Die ambivalentie werd echter al snel als onhoudbaar gezien, en de scheiding van basis en bovenbouw verworpen.

Dit gebeurde mede onder invloed van de 'postmoderne' kritiek op alle vormen van 'structuralisme', dat wil zeggen elke poging om in meer of minder rigide schema's te duwen wat in werkelijkheid veelvormig, flexibel, veranderlijk en vooral ook ondoorzichtig is.

Een vervelend bijverschijnsel van het 'economisme' was dat mensen werden gereduceerd tot de plek die ze innamen in de arbeidsverhoudingen. Mensen konden zo uitsluitend worden geïdentificeerd en benaderd als kapitalist of als arbeider, als boer of als huisvrouw. Het voordeel van zo'n overzichtelijk wereldbeeld is, dat je duidelijke groepen 'onderdrukten' aan kunt wijzen, die 'objectieve belangen' gemeen hebben en zich daar rond zouden moeten organiseren. In 19e-eeuws Noordwest-Europa had dit model vermoedelijk een grote verklaringskracht. De werkelijkheid is inmiddels echter een stuk complexer geworden.

Waar is de grote grauwe onderklasse gebleven van fabrieksarbeiders, die er allemaal eender uitzagen, naast elkaar stonden in de fabriek en naast elkaar woonden in kleine huisjes met kleine raampjes? Ze is getransformeerd in een heterogene verzameling van loonarbeiders, oproep- en uitzendkrachten, thuiswerkers, kleine zelfstandigen, en ga zo maar door, mannen en vrouwen die zich op allerlei manieren van elkaar proberen te onderscheiden, trots zijn op hun vak of hun huidskleur, zich emotioneel verbonden voelen met een etnische of een religieuze groep, zich willen profileren op hun muzikale smaak of seksuele geaardheid.

Er heeft een 'explosie' plaatsgevonden van identiteiten. Mensen laten zich niet meer zo makkelijk in hokjes duwen. Hun identiteit is samengesteld uit vele factoren: sekse, ras, etniciteit, sociale positie, religie, opleiding, het milieu waarin ze zijn opgegroeid... Wie in deze tijd grote groepen mensen op de been wil krijgen, heeft er niet genoeg aan ze op een bepaalde identiteit aan te spreken. Om kans van slagen te hebben, moet die identiteit tot inzet gemaakt worden van een alles in de schaduw stellend conflict, waardoor andere loyaliteiten een lagere prioriteit krijgen.

De 'explosie van identiteiten' is onder andere een gevolg van de ontwikkeling van nieuwe technologieën. In transport en communicatie met name, waardoor nieuwe werelden open gingen en zich met elkaar vermengden. Het heeft ook te maken met de voortschrijdende sociale differentiatie, die een gevolg is van de toenemende complexiteit van bedrijven en instellingen, en de groeiende diversiteit binnen vooral de dienstensector. Het heeft verder te maken met verworven politieke rechten, democratie, welvaart, en het daardoor toenemende zelfvertrouwen en zelfrespect van grote 'middengroepen'. Mensen hebben het zo slecht niet, vinden ze.

lui

Hier kom ik op een volgend anachronisme in het marxisme: het volk wordt onderdrukt, of op zijn minst uitgebuit. Het is de taak van links om de mensen hiervan 'bewust te maken' en ze vervolgens te mobiliseren om aan de uitbuiting een eind te maken.

'Het volk' begrijpt alleen niet waar ze het over hebben. Met of zonder werk, een redelijk inkomen hebben ze bijna allemaal wel. Althans, je kunt er meestal wel een auto van betalen, zo nu en dan zet je de bloemetjes eens buiten, in de zomer kun je zelfs op vakantie. De vraag die de gemiddelde Nederlander het meest bezig houdt is, hoe besteed ik mijn vrije tijd? We hebben heel wat om uit te kiezen. En we beseffen ons maar al te goed, dat we ons hier in een bevoorrechte positie bevinden. Dat we het heel wat beter hebben dan die arme sukkels in het voormalige Oostblok of in de Derde Wereld. Lang leve het kapitalisme en de democratie.

In marxistisch jargon heet dit het 'vals bewustzijn' van de 'massa's'. Anderen, met meer respect voor de mensen over wie ze het hebben, omschrijven het als 'hegemonie': de machthebbers hebben van het volk zèlf toestemming gekregen om het te overheersen.

Maar wie zijn dan wel die 'overheersers' en 'uitbuiters'?

Zijn het de ministers, de partijbestuurders, de secretarissen-generaal of de president-directeuren? Het zijn carrièremakers die toevallig vandaag deze positie bekleden, maar morgen weer ergens anders zullen zitten. Carrièremakers van geboorte en ambitie, dat wel, maar beslissingen nemen ze toch grotendeels uit hoofde van hun functie, in naam van anderen. Bureaucraten zijn het, functionarissen.

Zijn het de aandeelhouders? Volgens Thatcher woonden er in haar Engeland meer aandeelhouders dan vakbondsleden. Er is ook in Nederland bijna geen arbeider te vinden die niet, via zijn of haar pensioenrechten, aandelen bezit. Hoeveel zijn er niet die hun grote of kleine kapitaal in beheer geven, en geen idee hebben van welke bedrijven ze mede-eigenaar zijn? Goed, echte kapitalisten die hele of halve ondernemingen bezitten en besturen, ze zijn er ook nog wel. Maar zijn zij dan de enige uitbuiters?

Draagt niet bijna iedereen, de een wat meer dan de ander, bij aan het functioneren van de machine? Is er echt nog sprake van uitbuiting, of is er toch -zoals zogenaamd 'burgerlijke' wetenschappers het noemen- sprake van een zekere consensus in de Westerse samenlevingen? Een consensus natuurlijk die ten koste gaat van een aantal randgroepen hier, van grote groepen elders, van de natuur, van ons milieu.

Meer dan om degenen die door de machine 'uitgebuit' worden, gaat het tegenwoordig om hen die van geen belang (meer) zijn voor 'het systeem', die erdoor gemarginaliseerd worden, van bestaansmiddelen ontdaan. Niet zo zeer uitgebuit als wel bestolen en dan aan hun lot overgelaten. Ongeveer net zoals de natuur behandeld wordt. Omdat de natuur noch de meeste gemarginaliseerden zich kunnen organiseren, richt links zich noodgedwongen op degenen die wel een vuist kunnen maken: Westerse welgestelden.

De Revolutie is daarmee van de baan. En de toonzetting van de linkse retoriek is veranderd: zij is niet meer gericht op de onderdrukten, maar op een diffuser publiek met de nadruk op de middenklassen; zij is niet meer bedoeld om het 'klassebewustzijn' van de onderliggende klasse te vergroten, maar eerder om een algemeen schuldgevoel te kweken; zij is niet meer motiverend maar eerder moraliserend.

Marx, en velen na hem, was er nog van overtuigd dat de 'objectieve tegenstellingen' tussen arbeid en kapitaal zo groot waren dat de Revolutie er wel moest komen. De logica van het systeem zou de kapitalisten ertoe aanzetten hun arbeiders zozeer te onderdrukken, dat de bom wel zou moeten barsten. Nu dit maar niet wil gebeuren, maar, integendeel, werkgevers en werknemers in harmonie samenleven moeten 'revolutionairen' hun strategie overwegen. Het blijkt dan dat ze aan Marx niet veel hebben. Zijn voorspellingen en adviezen betroffen immers de strijd van onderdrukten tegen onderdrukkers.

Het geloof in de Revolutie heeft geleid tot een soort luiheid onder marxisten op het gebied van de strategiediscussie. Men kon zich, zoals gezegd, beperken tot het bewust maken en mobiliseren van de massa's. Clemens Raming heeft het in zijn brief elders in dit blad over het schema 'onrecht verontwaardiging verzet'. Ook veel andere, waaronder overtuigd niet-marxistische, bewegingen hebben vertrouwd op dit simpele schema.

Te vaak hebben ze vergeten na te denken over belangrijke strategische vragen als: op welke manier de maatschappij vorm krijgt; op welke plaatsen cruciale beslissingen worden genomen; hoe die keuzes veranderd zouden kunnen worden; welke specifieke groepen bepaalde wensen zouden kunnen ondersteunen en over welke middelen zij beschikken; hoe hen aan te spreken. In plaats daarvan blijven de eisen krachteloze oproepen aan 'de regering', 'de maatschappij', of zelfs 'de mensheid'.

culturele revolutie

Wat ook heroverwogen moet worden is de inhoud van het begrip 'macht'. "Zij hebben de macht en die willen ze houden," zong de popgroep Bots in de jaren zeventig. Macht wordt door marxisten teveel gezien als iets een-dimensionaals. Je hebt het of je hebt het niet. De een wat meer dan de ander. Om een socialistische maatschappij te vestigen moest eerst de staatsmacht veroverd worden om vervolgens de economische macht van de kapitalisten te breken door hun bezittingen te nationaliseren.

Hoewel deze doelstellingen zeker voor de korte termijn wat ambitieus zijn, richten de meeste groeperingen zich toch op wat zij zien als de 'machtscentra': regering en parlement, met name. Hun eisen, gepubliceerd in rapporten en pamfletten, meegedragen op spandoeken en buttons, uitgesproken in demonstraties, op televisie of in directe gesprekken, zijn overwegend gericht op de autoriteiten. Soms zijn economische machtscentra het mikpunt, zoals Shell of onlangs nog ABNAMRO.

Alles lijkt te draaien om de formele 'toppen' van de maatschappij, waar bepaalde belangrijke beslissingen worden genomen, waar mensen de bevoegdheid hebben om grote knopen door te hakken. Sociale bewegingen streven ernaar die belangrijke beslissingen te beïnvloeden. Waardoor ze een zekere invloed krijgen op wat er in de maatschappij gebeurt. Ofwel: een beetje 'macht'.

Het is echter maar de vraag of op die plaatsen werkelijk de maatschappij wordt vormgegeven. Het zou ook kunnen zijn dat de keuzes die gemaakt worden voortvloeien uit mechanismes die elders ontstaan. Met name 'de politiek', immers de legitieme en soevereine autoriteit in een land, wordt een te centrale positie toegekend. In feite is zij niet meer dan 1 bepaalde sector in een veel grotere maatschappij. Een sector die voortdurend om aandacht schreeuwt, en dus blijkbaar ook iets van ons wil. Dat alleen al is reden genoeg om er zelfbewuster mee om te gaan.

Met Michel Foucault is een andere interpretatie van 'macht' populair geworden. Macht is niet uitsluitend gekoppeld aan zulke grote apparaten als staten en bedrijven, maar zit in alles wat mensen doen of niet doen. Het leven is ermee doordrenkt. De werking van macht geschiedt lang niet altijd bewust.

Macht is bijvoorbeeld ook aanwezig in het ontstaan en evolueren van maatschappelijke normen. Een norm is in essentie niet meer dan een serie 'daden' die 'gesteld' worden. Wanneer een groep mensen een bepaalde handeling op een bepaalde manier verricht, en daarvoor waardering van haar omgeving krijgt, wordt die praktijk min of meer tot 'standaard'. Het wordt vanzelfsprekend de dingen op dezelfde manier te doen. De norm kan bovendien een zodanige druk produceren dat mensen zich gedwongen voelen zich ernaar te gedragen, ook al zouden ze wel anders willen.

In de diverse campagnes voor 'kritisch consumeren' wordt dankbaar gebruik gemaakt van deze inzichten. Wie durft er in 'onze' omgeving nu nog onzuivere koffie te drinken? Helaas, het succes blijft net zo beperkt als de kleine groep van telkens weer dezelfde mensen die zich aangesproken voelen.

Macht zit ook in het ontstaan van een 'vertoog': het stelsel van ideeën dat dominant is in een maatschappij, en daarmee de kaders aangeeft waarbinnen men zijn of haar gedachten laat spelen en de woorden die gebruikt worden om die gedachten uit te drukken. Marxisten zijn zich hiervan al lang bewust, gezien de hoeveelheid papier die al sinds Marx over 'ideologie' is volgeschreven. Sociale bewegingen doen inderdaad ook veel aan 'educatie', aan 'agitatie en propaganda', en mengen zich in het publieke debat. Maar ik vraag me af of ze er wel genoeg bij stilstaan wat precies het 'dominante vertoog' in de maatschappij is, welke mechanismen het produceren en in stand houden, en hoe het te veranderen is. Misschien moeten we wat meer kijken naar hoe de massamedia functioneren; hoe trends en modes ontstaan en verdwijnen; hoe reclamemakers werken; welke marketingtechnieken waarom een succes worden en welke niet.

De nieuwe interpretatie van 'macht' zou moeten leiden tot andere strategien, tot een andere interpretatie van de Revolutie. Als 'macht' niet tastbaar is, noch geconcentreerd in enkele machtscentra welke door een volksopstand te veroveren zijn, dan voldoet de politieke revolutie niet meer. Als in de maatschappij talloze praktijken, gewoontes, mechanismen, normen, vanzelfsprekendheden, enzovoorts, veranderd moeten worden, dan is een culturele revolutie nodig. Of liever nog, een permanente culturele revolutie.

De strijd is nog steeds, om verschillende redenen, tegen het 'kapitalisme'. Het kapitalisme lijkt echter niet in de fabrieken en de machines te zitten, niet in de instituties, niet in de ordening van de economie of de maatschappij. Het zit vooral in de hoofden van de mensen. Het is een onderdeel van onze cultuur geworden.

Mensen zien het al lang niet meer als een bepaald economisch systeem waarvoor je kunt kiezen, tussen andere opties. Het is iets natuurlijks, vanzelf ontstaan uit de ontwikkeling van het geld en de handel. Op een dag gingen mensen 'investeren' om 'winst' te maken. Toen is het begonnen. Het zal pas verdwijnen wanneer mensen niet meer naar winst en individuele verrijking zullen streven. Dan zal het verdwijnen uit onze hoofden, uit onze cultuur. Dat kan nog wel even duren.

voorwaarts

We zullen met het kapitalisme verder moeten. Debatten over de goedheid of slechtheid ervan leveren niet zoveel op. We kunnen wel zoveel mogelijk proberen het kapitalisme in te dammen, om de desastreuze werking ervan te beperken. En intussen kunnen we bouwen aan iets nieuws.

We zullen met nieuwe ogen naar onze omgeving moeten kijken. Ons verwonderen over de populariteit van televisie-quizen. En over de vluchtigheid van Madonna en Michael Jackson. Ons verdiepen in de betekenis van jeugdculturen. Ons inleven in de wereld van de geboren en getogen stadsbewoners, verslaafd aan de herrie en de dynamiek van de metropool. Op zoek naar iets in hen dat we aan kunnen spreken.

Het belooft een lange wandeling te worden.

Bertram Zagema