• 20 maart 2010
    Oorlog en ontwapening

Nederland en de dreiging van Venezuela

Martin Broek

Afgelopen week worden vragen van Rita Verdonk over de militaire toestand in het Caribisch gebied door Eimert van Middelkoop beantwoord. De Minister en het Kamerlid zijn beide geen toppers in Haagse politiek. De eerste probeert daar verandering in te brengen met provocatieve vragen die de suggestie wekken dat de Nederlandse marine niet voldoende is uitgerust om de dreigende inval door buurland Venezuela te weerstaan. Dat is nogal wat.

Kunt u mij voorzien van een analyse van de dreiging vanuit het Venezuela van president Hugo Chávez jegens de Nederlandse Antillen? Zo nee, waarom niet?” vraagt Verdonk. Dit is een opstapje naar een pleidooi voor zwaarder bewapende marineschepen in het gebied. Immers als de Venezuelaanse president het in zijn hoofd haalt zou hij zomaar de ABC-eilanden binnen kunnen vallen, want de kortgeleden door Nederland verworven marineschepen zijn in zo’n geval niet meer dan aan de grond genagelde eenden, “Sitting ducks,” in het Nederlands van Verdonk.

Iedereen kan natuurlijk her en der in de wereld bedreigingen bedenken. Je tegen al die imaginaire bedreigingen ook wapenen wordt alle mans gek en bovendien peperduur. Verdonk serveert om haar verhaal te verkopen dan ook een cocktail waarin het gevaar van Venezuela wordt opgeklopt tot toefje op een drankje dat bestaat uit een pleidooi tegen bezuinigingen op Defensie en voor meer wapens. Het hoofd van Chávez doet dienst als cocktail kers.

De Minister van Defensie antwoord rustig dat: "Er op dit moment geen sprake is van een dreiging hoger in het geweldsspectrum in het Caribisch gebied”. De schepen die Nederland er stationeert zijn dan ook ruimschoots voldoende “uitgerust om zichzelf en anderen te verdedigen”. Hij had er nog aan toe kunnen voegen dat de Nederlandse schepen worden beschouwd als een middel tussen patrouilleschip en oorlogschip voor optreden in het hoogste geweldspectrum in. Maar er is wat te zeggen voor zijn zakelijke en afdoende antwoorden. Olie op het vuur en extra aandacht is nergens voor nodig. Zo lijkt het.

Naast de vragen van Verdonk kan je echter ook nog andere vragen stellen. Bijvoorbeeld of Nederland een rol speelt bij de Amerikaanse omsingeling van Venezuela door de militaire samenwerking met de VS. Je kan daarbij denken aan de deelname aan Amerikaanse militaire oefeningen en het faciliteren van vlootbezoeken aan de haven van Curaçao (32 bezoeken tussen december 2005 en december 2009). Maar ook door de militaire samenwerking die is vastgelegd in het Forward Operation Location-verdrag tussen Nederland en de Verenigde Staten.

Dit verdrag is officieel gericht op het bestrijden van drugs, maar de Boeing RC-135’s die vanaf Curaçao regelmatig opstijgen worden volgens Venezuela ook ingezet bij spionage activiteiten. Harry van Bommel van de SP vroeg er onlangs naar bij minister Maxime Verhagen. Het antwoord omzeilt de kwestie maar ontkent hem niet. Verhagen schrijft: “Op basis van het FOL-verdrag kunnen de Verenigde Staten gebruik maken van Hato International Airport op Curaçao en Reina Beatrix Airport op Aruba, uitsluitend in verband met drugsbestrijdingstaken vanuit de lucht. Deze vluchten worden uitgevoerd met diverse ongewapende vliegtuigtypes, waaronder de RC 135” (zie)
Dat de RC-135 voor spionage kan worden ingezet lees je zelfs op wiki. Dat geldt ook voor de eveneens gesignaleerd E-3B Sentry’s  “Tijdens Desert Storm (…) assisteerden E-3 bemanningen in 38 van de 40 gevallen waarbij tijdens het conflict vijandelijke toestellen in de lucht werden uitgeschakeld.” Dat klinkt een stuk minder dolletjes dan “ongewapende vliegtuigtypes”.

Het FOL-verdrag loopt op 1 april af en zal stilzwijgend verlengd worden als er in Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten geen bezwaar tegen bestaat. Het zou de komende week in de Tweede Kamer aan de orde komen, maar het overleg is geannuleerd of verplaatst, aldus de Kameragenda. Je mag hopen dat dit niet betekent dat van uitstel afstel komt en dat een militair verdrag met een duur van maar liefst tien jaar en implicaties voor de veiligheidssituatie in Zuid-Amerika stilzwijgend wordt verlengd. Sterker nog dat er zelfs niet over wordt gerept in de Tweede Kamer. Of pas een jaar na ingang zoals in 2001.