• 26 mei 2010
    Arbeidsethos en uitkeringsstrijd

Dansez maintenant!

Louis van Overbeek

Na de hypotheekcrisis, de kredietcrisis en de bankencrisis zou je verwachten dat men - onze bestuurderen - , na zoveel scha en schande toch wel enigszins wijs geworden, het neoliberale denken dat van al deze crises de hoofdoorzaak is geweest nu toch wel zou hebben afgezworen. Wie echter achter de façades van de dagelijkse hypes kijkt, ziet dat niets minder waar is: zowel de nationale staten, waaronder Nederland, als Europa werken hun neoliberale agenda gewoon verder af. Met name op het punt van werkgelegenheid en sociale voorzieningen.

Nederland zet, na een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) [LJN: BL1093], nu zelfs met instemming van de hoogste bestuursrechter op dit gebied, zijn neoliberale, ‘activerende’, op de top van Lissabon afgesproken, beleid van gedwongen tewerkstelling van uitkeringsgerechtigden voort, hoewel dit flagrant in strijd is met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (*).

Het onlangs naar aanleiding van de talrijke dwalingen in het strafrecht geopperde voorstel van rechtspsycholoog Wagenaar om bij volgende rechtszaken burgers systematisch vooringenomen rechters te laten wraken, zou dan ook niet, zoals in het oorspronkelijke voorstel, beperkt moeten worden tot het strafrecht, maar zich ook tot andere rechtsgebieden moeten uitstrekken. In ieder geval tot het bestuursrecht, waarin de burger, zoals door de studie van Toine Tak al jaren bekend is, volstrekt beroofd is geraakt van welke vorm van bescherming tegen de (heden ten dage dus neoliberale) overheid dan ook.

Hoezeer ook Europa een nog steeds voortdurend neoliberaal project is, ondervindt momenteel vooral de Griekse burger aan den lijve, op wie, onder het mom van economische hulp, zoals eerder onder meer op de Chilenen onder Pinochet en de Russen onder Jeltsin, het beproefde Chicago Boys recept van een economische shocktherapie wordt toegepast. De noodlijdende Griekse regering - in de problemen gebracht door een slecht doordachte introductie van de euro - ontvangt hulp van de lidstaten van de EU en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) op voorwaarde dat zij radicaal bespaart op haar burgers, ter bevordering van de economie eens goed de zweep over hun rug legt, hen veel langer laat doorwerken, tegelijkertijd loon laat inleveren en de belasting fors verhoogt.

Het volk van Balkenende, de Duitsers en zelfs de Vlamingen verklaren met nadruk en zelfs trots, dat zij de Grieken niet steunen uit solidariteit, maar alleen om zelf beter te worden van de extra rente die zij voor hun ‘steun’ in rekening menen te kunnen brengen en omdat nu de gelegenheid zich voordoet hen, die onbetrouwbare, luie Hellenen, eens lekker te bestraffen voor het feit dat zij, evenals andere mediterrane Europanen, een relaxte levenswijze prefereren boven een Angelsaksische, neoliberale arbeidsmoraal. Anders zouden zij hun werkritme natuurlijk ook niet kunnen aanpassen aan hun klimaat en zouden zij de wortels van hun cultuur moeten verloochenen. In het antieke Griekenland, toen de ‘wolkenvergaarder’ nog op de Olympus de godenvergadering voorzat, gold loonarbeid immers als een schande en geld verdienen als een platte bezigheid voor slaven, een vrij man onwaardig.

Onlangs verklaarde de Griekse publicist Nikos Dimou (75) dan ook onomwonden in Nederlandse dagbladen, dat de Grieken ‘een vrij negatief beeld hebben van de Duitsers omdat die zo hard werken’. En dan te bedenken dat voor Nederlandse begrippen Duitsland nog een oase van contemplatie is. Het is voor de heer Dimou dan ook niet te hopen dat hij ooit zal worden blootgesteld aan uitingen van de Nederlandse samenleving, zoals bijvoorbeeld de vaderlandse radio met zijn uitsluitend door half Amerikaans brabbelende ADHD-patiënten gepresenteerde oceanen van reclame en nieuwsprogramma’s waarvan de inhoud vaak alleen zaken doen, de beurs, leaseauto’s en carrière maken betreft.

Ondertussen doen de Noord-Europeanen in hun geheel met hun genoemde houding nog het meest denken aan die nare mier uit de fabel van Jean de la Fontaine, die haar buurvrouw, de cicade, als die haar, na een zomer vol uitbundig gezang, getroffen door de winterschaarste een paar graankorrels komt vragen, toebitst: ‘Je moest toch zonodig zingen toen het tijd was om te werken, dans dan nu maar’.