• 25 augustus 2021
    Oorlog en ontwapening

Waarom werd een oorlog in Afganistan niet vermeden?

Martin Broek
Bron: www.broekstukken.nl

Bette Dam is een 1,88 meter lange Nederlandse journaliste die in Op zoek naar de vijand; het verhaal van een terrorist die een vriend wilde zijn zocht naar informatie over moellah Omar, de eveneens boomlange leider van de taliban. Zoektocht kan je hier letterlijk nemen. De tocht begon met het opschrijven van de namen van Afghanen die in 2001 betrokken waren bij het verdrijven van de taliban. Dam zou die mannen stuk voor stuk spreken. Zo werd ze ook op het spoor van moellah Omar gezet. Maar haar belangrijkste vraag is of de oorlog te vermijden was geweest.

De tocht brengt de lezer naar verre uithoeken van het land, waar volgens gangbare normen voor veilige journalistiek de pers niet onbeschermd moet willen komen. Ze gaat naar het huis waar Omar als jongen woonde. Naar het erf waar hij moellah was tussen het verdrijven van de Russen en de machtsovername door de taliban in 1996, naar de kelder waar hij uiteindelijk zijn macht overdroeg en naar nog een ruime handvol andere plaatsen. Dam reisde al dan niet onder de bekende blauwe boerka, en de plaatsen die ze bezocht worden zo beeldend beschreven dat ze gaan leven. Ze is bij die tochten afhankelijk van Afghanen. Dat was zeker in het begin niet gemakkelijk. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit de opmerking van Najibullah: “Je vertrouwt me nog altijd niet, hè?!” Dat moet een ongemakkelijk moment voor beiden zijn geweest. Hij is overigens de zoon van Aziz, de man die haar in 2010 in zijn boomgaard wees: “Daar woonde moellah Omar.” Twee jaar later zou ze het spoor gaan volgen.

Bijbels

Dam gebruikt het woord tollenaars voor de mannen die op wegen belasting innen van passerende reizigers. Een woord met een Bijbelse connotatie, tollenaars waren de belastinginners voor de Romeinse bezetter in het Palestina uit de tijd van Jezus. Als ze moellah Omar hoort spreken op een gevonden cassettebandje dan vergelijkt ze zijn stem met de lange uithalen van een dominee van een zwartekousengemeente.

Dat verraadt de herkomst van Bette Dam, het brave meisje dat toen ze voor het eerst als journaliste naar Afghanistan ging opliep tegen een wereld die de waarheid verdraaide. Een wereld die gezag meende te moeten ontlenen aan voor de buitenstaander onbegrijpelijke militaire afkortingen. Want daar begint het boek mee, met een naïeve Dam. Het duurt niet langer dan nodig is om haar positie neer te zetten als iemand die door feiten en ervaringen op een ander been is gezet.

Mensen en plaatsen

Het boek leest als een opfriscursus Afghanistan. Nog voordat de oorlog tegen het terrorisme begon vielen daar al de eerste Westerse raketten. Vanaf de jaren negentig moest je als antimilitarist nadenken over het karakter van de taliban, de hongersnood, en de aanwezigheid van Bin Laden in het land. Toen kort na 9/11 de oorlog tegen het land losbarstte toonde het TV-journaal beelden van vluchtelingen op bergkammen, maar over het algemeen was de kritiek op de Amerikaanse aanval op het land gering. Afghanistan had dit immers over zichzelf afgeroepen, was de overheersende mening. Ook een aantal van mijn voorheen antimilitaristische collega's konden zich de luxe van dit standpunt in het vredige Nederland veroorloven. Ook Dam vond het destijds “hartverwarmend om te zien dat bijna elk land in de wereld Amerika steunde in het verdriet en in de wens om een oorlog tegen het terrorisme te beginnen.”

Op zoek naar de vijand lijkt over oorlog te gaan. Hoe zou het ook anders kunnen, bij een boek over Afghanistan dat vooral de laatste drie decennia beschrijft. Toch gaat het eigenlijk meer over mensen en plaatsen dan over gevechten en wapens. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk als Clinton in 1998 volgens de schrijfster Afghanistan beschiet met Scud raketten, terwijl het wapen van zijn keuze het Tomahawk kruisvluchtwapen was (zoals die destijds veel werd gebruikt). Met de Scud zaaide Saddam Hoessein juist angst in Israël en Saoedi-Arabië tijdens de Golfoorlog van 1990-91.

Als Dam het over Stingers heeft dan is dat vooral om aan te tonen hoe de VS het Afghaanse verzet tegen de Russen actief steunde om vervolgens het land na het verdrijven van Moskou weer in de steek te laten, niet om het belang van de raket uit te werken, waarmee mogelijk 270 Russische vliegtuigen werden neergehaald.

Nederlandse militairen kom je in het boek nauwelijks tegen. Ze vraagt zich wel af of die weten op wie ze schieten. Dam begint al snel de andere kanten van de War on Terror te zien.

Oorlog vermijden

In het boek lijkt de schrijfster op zoek naar een antwoord op de vraag waarom een oorlog met Afghanistan niet vermeden is. Ze zet niet voor niets de Democrate Barbara Lee in het zonnetje, het enige Congreslid dat geen carte blanche aan de regering-Bush gaf. Voor de vraag die Dam de lezer stelt zijn goede redenen.

De Afghaanse bevolking leed al sinds eind jaren negentig zwaar onder de internationale sancties. De Afghanen leden honger, en in 2000 waren er al 850.000 interne vluchtelingen (de gemiddelde Nederlander slaat al bij een fractie daarvan op tilt). Barbara Lee zou met haar kritische houding gelijk krijgen; een citaat als het volgende laat al gauw de klote – excusez le mot – kant van de oorlog zien:

In 2002 werd onderzoek door mensenrechtenorganisaties naar deze gebeurtenissen [het in november 2001 vermoorden van gevangenen door ze dood te schieten met handboeien om, ze op te sluiten in containers in de brandende zon of te bombarderen vanuit Amerikaanse gevechtsvliegtuigen] tegengewerkt door de Amerikaanse regering. Generaal Dostum bracht het in 2014 tot vicepresident van Afghanistan onder president Ghani. In 2017 vertrok hij naar Turkije, na beschuldigingen dat hij een politieke rivaal zou hebben verkracht.”

Dat gaat dan over de zogenaamde goede kant in de oorlog.

Lachen vergaan

Je kan lachen om wat op een brullende muis leek, nl. een woedende moellah die aan de vooravond van de oorlog schreeuwde dat als de VS Afghanistan zou aanvallen, de taliban Amerika zouden verslaan, zoals Afghanen ook de de Sovjet Unie hadden verslagen. Maar het lachen is verstandige mensen al lang vergaan. Aan de oorlog is door de VS meer dan een biljoen dollar uitgeven (dat is een 1 met 12 nullen) en dat is bijna 30.000 dollar per Afghaan. We zijn 100.000 dode Afghanen en 3.500 dode westerse militairen verder. Vrede lijkt niet dichterbij en met de taliban onderhandelen is nog steeds onvermijdelijk. In de Nederlandse Tweede Kamer zijn recentelijk vragen gesteld over de misleiding rond de interventie. Het land staat er beter voor dan in 2001 toen het land nog in handen was van extremisten en terroristen stelt de Nederlandse regering eind januari 2020. Extremisten wel, maar de terroristen waren Bin Laden en zijn handlangers en die hadden niet het land in handen.

Ontrafelen

Bette Dam maakt veel werk van het ontrafelen van een aantal aannames rondom het Afghanistan van de taliban, zoals het vermeende anti-Westerse karakter van het regime. De taliban waren tot eind jaren negentig vooral binnenlands gericht, stelt ze. Het was in eerste instantie een organisatie van eenvoudige koranschool-leerlingen – van de primitieve hujera en niet de bekende madrassa uit buurland Pakistan (een land waarmee de taliban sowieso veel minder banden hadden dan veelal aangenomen). Velen van hen dachten dat de wereld plat was, laat staan dat ze een visie hadden op de wereld buiten Afghanistan. Voor de hujera-leerlingen was politiek bovendien onrein. Maar ze waren de chaos beu die in de jaren na de verdrijving van de Russen heerste, zoals bij de wegblokkades waar geld werd geïnd. Ze pakten deze roadblocks succesvol aan, dat zagen ze gewoon als een religieuze plicht. Het vrij maken van de wegen was niet alleen in het belang van burgers, maar ook van handelaars, legaal en illegaal.

Het succes bleef niet onopgemerkt en een meer georganiseerde aanpak werd gestimuleerd. De beweging kreeg steun die haar de wind in de zeilen gaf. Ze werd zelfs vanuit Kabul voorzien van Mig-jachtvliegtuigen (waarvan er maar nauwelijks één werkte) en Mil Mi-8 helikopters. Door deze positieve verschuiving veranderde het karakter van de beweging, van strenggelovig naar een beweging die het land wilde besturen, omdat Allah hen dit opgedragen zou hebben. De beweging zou daarmee ook midden in de Afghaanse stammenstrijd komen te staan en zich militair organiseren. Stukje bij beetje veroverde ze bijna het hele land.

Moellah Omar

De beruchte moellah Omar komt uit het boek naar voren als een niet extreem gewelddadige, streng gelovige moslim die van autorijden houdt, een grappenmaker is (hij houdt onder andere van het imiteren van personen), koppig is, niet bijster geschoold en aan droomduiding doet. Omar zelf is duidelijk over zijn taak in het leven: “Ik moet alleen de sharia implementeren.”

VN-bemiddelaar Brahimi stelde over hem:

Ik zag direct dat dit talibanlid niet de slechtste persoon op aarde was. Achteraf is de internationale gemeenschap volgens mij heel erg fout geweest met het isoleren van de beweging, zeker toen ze verreweg het grootste deel van het land had veroverd. Het was een grote fout om de taliban direct te veroordelen om hun interpretatie van het islamitische geloof,” en, zo vervolgde hij: “de moellah Omar die ik in 1998 en 1999 ontmoette, was zeker geen terrorist. Hij had ook niet het brein van een terrorist. Nee, hij was een patriot, en diepgelovig.”

Deze woorden van Brahimi vatten ook het beeld dat Dam van Omar schetst goed samen en bevat eveneens een visie op haar andere zoektocht; naar de vraag of een oorlog te vermijden was geweest.

Maar als de communist Najibullah en voormalig president van het land door de taliban wordt vermoord dan zegt Dam dat het hier uitdrukkelijk gaat om een actie van moellah Rabbani. Dit is Omars eeuwige rivaal binnen de taliban, maar toevallig ook degene die door Omar zelf als de tweede man werd aangewezen. Een leider mag een persoonlijkheid hebben, hij staat ook aan het hoofd van een organisatie.

De verschillende visies die binnen de taliban leefden, geven wel aan dat er ruimte voor verstandig wrikken was geweest. Politiek is het zoeken naar mogelijkheden en oplossingen voor problemen en die waren nog lang niet allemaal benut. Naar oorlog als uiterste middel werd gegrepen vanwege de Amerikaanse binnenlandse politieke verhoudingen (al onder Clinton, maar zeker onder Bush jr.).

Vrouwenrechten zijn een breekijzer als het gaat om Afghanistan. Die waren onder de taliban, maar ook onder de voorgangers, slecht. Het stenigen van vrouwen kwam echter nauwelijks voor, schrijft Bette Dam. Ze herhaalt dat zelfs een paar keer om het verhaal te ontkrachten dat dit op grote schaal door de taliban gebeurde (ze noemt een cijfer van zes keer in de periode 1996-2001). Drugsgerelateerd geweld werd in de schoenen van de taliban geschoven, schrijft ze. Soms ga je bijna denken dat de taliban een stelletje lieverds waren die slechts vrouwen binnenshuis hielden en wat armen afhakten. Maar belangrijker dan dit typeren van de taliban in een discussie over militair ingrijpen is dat het regime geen gevaar voor het Westen was. Tot eind jaren negentig hoopte de taliban op steun van het Westen bij het opbouwen van het land. In 1991 waren er 1844 scholen in het land en in 1995 nog maar 864. Toch zou alle Westerse steun na de oorlog tegen de Russen afnemen. In 1996 stuurde Omar een delegatie naar Duitsland om erkenning en ontwikkelingshulp te krijgen, een houding die hij ook ten opzichte van de VS had. Het land werd echter grotendeels in de steek gelaten, met alle gevolgen van dien.

Bin Laden

Er blijft wel een belangrijk punt staan dat in het nadeel van Afghanistan spreekt. De taliban verschaften dé vijand van het Westen, die zelfs uit Soedan was verdreven, Bin Laden onderdak en wilden hem niet uitleveren. De Verenigde Staten kwamen niet met bewijzen van zijn betrokkenheid bij terreurdaden en op een berechtiging buiten Afghanistan, bijvoorbeeld in Qatar, wilde Washington niet ingaan. Moellah Omar wilde op zijn beurt niet uitleveren zonder bewijs. Hij vreesde daarmee zijn geloofwaardigheid als islamitisch leider te verliezen en onderschatte bovendien de Verenigde Staten. Door de botheid van de VS zette hij zijn hakken juist in het zand.

Dam gaat omstandig in op het gegeven dat de link tussen Bin Laden en moellah Omar zwaar werd overdreven; feitelijk wantrouwden de mannen elkaar. Toch worden beide als twee handen op een terroristische buik gezien. Ze haalt de 'veel gelezen Amerikaanse auteur Bob Woodward' aan die CIA-baas Tenet citeert: “De taliban en Al Qaida zijn hetzelfde.” De recente brief aan de Nederlandse Tweede Kamer laat zien dat dit beeld nog steeds heerst.

Het boek biedt een tegenwicht voor deze retoriek, maar is minder actief bij het aantonen dat Bin Laden wel degelijk betrokken was bij aanslagen. “Kortom,” schrijft Dam “er werden in de loop van de jaren negentig allerlei aanslagen gepleegd door verschillende groepen en bewijs voor Bin Ladens betrokkenheid kon niet bij al deze aanslagen worden geleverd.” Wel bij een paar?

VS

Aan de andere kant mis ik bij dat debunken het ingaan op de buitenlandse politieke visie van de overheid in de VS. De oorlog begon als opmaat van de oorlog tegen het terrorisme die de neocons van Bush jr. op poten zetten om de Nieuwe Amerikaanse Eeuw (PNAC) in te luiden. Deze had als belangrijkste doelen het afmaken van de militaire klus in Irak en de aanval op Iran. Afghanistan was de katalysator die de oorlogswoede aan zou wakkeren, die zou leiden tot de oorlog tegen Irak. We leven nu al bijna twee decennia met de resultaten van die fout.

De VS wordt wel beschreven. Sterker nog, het hele onderzoek vindt eigenlijk zijn oorsprong in een ontmoeting met een Amerikaanse commando, Jason Amerine. Hij vertelt Dam dat hij tot de eerste commando's behoorde die na 9/11 actief werden in Afghanistan. Zijn acties werden beschreven in het boek The Only Thing Worth Dying For: How Eleven Green Berets Fought for a New Afghanistan, waarvoor door de auteur Eric Blehm nauwelijks met Afghanen werd gesproken. Bette Dam besluit dat ze juist meer over de Afghanen wil weten. Zo ontmoet ze ook Aziz in zijn boomgaard. De verschuiving van de aandacht is een bewuste keus voor Dam. Maar welke Amerikaanse regering op de achtergrond de poppenspeler van het verhaal is, en wat grofweg de inzet is, dat mist in het verhaal.

Propagandist en polemiek

Dam schiet af en toe uit haar slof. Ze noemt Robert Fisk een journalist die zich liet inzetten als propagandist voor Bin Laden. Dit nadat de journalist van The Independent op verzoek van de Saoedi in 1997 een interview in Afghanistan met hem afnam. De beschuldiging blijft in de lucht hangen. Is het een mening van de jonge Bette Dam (die schreef voor Libelle en Reformatorisch Dagblad) en die nog in haar hoofd leeft? Of is het niet meer dan een boze slip of the tongue? Fisk schreef over dit bezoek aan Bin Laden een artikel waarin van ophemeling of propaganda geen sprake is. Hij stelt duidelijk dat de man nooit gematigd zal zijn. Achteraf schreef hij dat het hem in retrospectief spijt dat hij niet dieper had nagedacht over de beangstigende metafoor van Bin Laden” over een aanslag op terrein dat nooit een aanslag kende. Hij vertelde eveneens dat hij tijdens een bezoek negen maanden later Bin Laden uitdrukkelijk laat weten dat hij journalist is en dat een journalist tot taak heeft de waarheid te vertellen.*

Ook Dam zelf ligt wel eens onder vuur. Haar stellingname dat Nederlandse journalisten – op een handjevol na – liever embedded met de Nederlandse soldaten het land verkenden en niet aan wederhoor deden bij de vijand, is niet door iedereen gewaardeerd. In het tijdschrift van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, Villamedia, verschijnt daarover een polemiek. Op een artikel van Dam, waarin ze stelt dat KRO Reporter-journalist Bart Nijpels een bewering van Defensie ongecontroleerd overnam, reageert hij met een aantal kanttekeningen bij het werk van de journaliste zelf.

Uit de woordenwisseling wordt duidelijk dat zij haar verhaal teveel aanzette en daarbij op de man en niet slechts op de bal speelde. Haar verweer, dat het begin van haar boek gaat over haar naïeve positie, is even mager als onbevredigend. Ook bij een dergelijke boodschap moet je de feiten en de journalistieke integriteit van collega's immers geen geweld aandoen. Maar het gaat om een paar zinnen in inderdaad een inleiding, die haar eigen angsthazerij aan het begin van de zoektocht typeert. Wat volgt op deze proloog is een onverschrokken reis door het verscheurde land.

Media

Ze leerde bij die tochten al snel geen kogelvrij vest om te doen omdat dit juist een gevaarlijke afstand tussen haar en gesprekspartners zou creëren. De polemiek doet weinig af van haar stelling dat journalistiek vanuit een pantservoertuig al snel wordt gestuurd naar een visie met blinde vlekken.

In de proloog van haar boek verwijst ze naar het global script waarlangs de verslaggeving veelal loopt, en die stelselmatig uitmondt in de conclusie: er zijn meer westerse troepen nodig. Helaas blijkt steeds opnieuw dat oorlogsverslaggeving een deel van de oorlog is, of dat nu de bedoeling van de journalist is of niet. Maar niet iedere journalist volgt hetzelfde pad om de toedracht van oorlogen wel bloot te leggen. In dit boek gebeurde het op een wijze waar zelfs een beruchte vijand als mens werd geschilderd door te laten zien waar hij leefde en hoe hij zijn positie bereikte.

Als Dam in 2018 uiteindelijk de plek vindt waar Omar ondergedoken zat, heeft ze haar manuscript al bij de uitgever ingeleverd. Ze vult het dan nog aan met die laatste informatie. Hij is vijf jaar eerder een natuurlijke dood gestorven.

* Robert Fisk, De Grote beschavingsoorlog, (Anthos: Amsterdam 2005), zie p. 49 en 59 (2006, 4e druk).

Martin Broek

(verscheen oorspronkelijk op 31 januari 2020 op broekstukken.nl)