• 14 april 2021
    Arbeidsethos en uitkeringsstrijd

Vooral een herdenking

JoopFinland

De meimaand komt eraan. In mijn vroegste, naoorlogse herinneringen was de beginweek niet alledaags. De eerste dag hing de rode vlag uit, ging mijn moeder zingen, ik gewoon naar school en nam mijn vader vrij. Later werd het een dag met een demonstratie, een debat, de Internationale, waarbij 1972 met Ernest Mandel in Frascati Amsterdam er uitspringt. Van uitbundige feestelijkheid was zelden sprake. Niettemin elk jaar weer een historische dag.

De vierde en vijfde mei waren indringender, vooral omdat ze door de 'eerste keer' in 1945 steeds meer onvergetelijk bleken. Een half jaar daarvoor was de jarenlang ondergedoken ome Henk verraden, opgepakt en op de vlucht afgemaakt. De bevrijdende straatfeesten, hoe levendig ook, konden hem niet doen vergeten, hij heeft me – evenals Sneevliet – altijd meer gezegd dan Churchill, Eisenhouwer en Loe de Jong. Gecombineerd met de bijna vijandige ontvangst van meneer en mevrouw Mok, in juli 1945, die ik pas jaren daarna begreep, was de bevrijding vooral een herdenking.

Held

Ome Henk, een Joodse acteur, logeerde op de zolder van de ouders van mijn vriendje Alex aan de overkant. We zaten vaak in zijn kamer als hij sprekend en spannend voorlas uit Dik Trom en Pietje Bell. Ze kregen verschillende stemmen. Op een dag, dat moet ergens in 1943 geweest zijn, hoorde ik dat hij verhuisd was. We misten hem en zijn stemmen en met Alex speelde ik daarna meestal bij mij thuis. Op de zolder kwamen we niet meer, over ome Henk werd niet gesproken, één keer dacht ik een glimp van hem gezien te hebben. Ik moest niet zo fantaseren, zei Alex' moeder. Niet zo lang daarna zag ik hem in levende lijve, twee Duitse soldaten sleepten hem uit het huis van Alex. Ik was zeven en mijn moeder zei: 'Praat er maar met niemand over'.

Op de dag van de grote razzia van november 1944 in Den Haag luisterde ik niet naar haar. Bij ons hoekhuis stond een afweergeschut met twee soldaten, ze hingen een beetje rond en vroegen een kop koffie. Mijn moeder deed dat, ik zei tegen één van hen: 'Waar hebben jullie ome Henk gelaten?". Ze kregen voor alle zekerheid nog een kop koffie. Ruim een half jaar later hoorden we dat onze grote verteller Henk gevlucht was uit een busje op weg naar Duitsland, ze knalden hem neer. Ik zal nooit vergeten hoe Alex' moeder huilde, ook daardoor neem ik ome Henk al zo'n driekwart eeuw in mijn herinnering mee en werd Pietje Bell een ouderwetse held voor mijn kleinkinderen.

Haat

In 1945 bestond de gekunstelde opeenvolging nog niet van 4 mei als 'dodenherdenking' en 5 mei als 'bevrijdingsdag'. In de straat waren geen auto's te vinden, wel vier wit gekalkte zestig meter lange banen. Hardloopwedstrijden, heen en weer estafettes, zaklopen en de korte sprint. Ongelooflijk, mijn moeder werd straatkampioen van dertig deelneemsters en liet aan mij een trotse kant van haar zien. Ze was werkloos na jaren het huishouden van een rijke Joodse familie bestuurd te hebben, en bleek de snelste. Even ging het niet over de familie Ezechiëls, maar was haar bloedende knie na de finish het gespreksonderwerp bij ons thuis.

Laatst zag ik een foto van die dag, waarop veel gelachen werd in een venijnige sfeer. Mannen van een jaar of twintig, een rok aan en een strakke band om het hoofd met op de achtergrond een kartonnen bord: Wij zijn met de moffen uit geweest. Een vertoning waarmee heel wat mannen zich een verzetsheld waanden.

Kampioen

Er waren meer mensen die de bevrijding te schande maakten. Het zal eind 1945 zijn geweest. Aan het einde van de straat, nummer 40, had ik heel wat keren gekeken naar het intrigerende bordje Poetsdoekenindustrie Nederland. Een huis met gesloten gordijnen, naast een ruime garage, waar de familie Mok had gewoond. Volgens een buurman waren ze met de stille trom vertrokken. Dus ook Samuel, een ander vriendje, en zijn oudere zus. Ze zaten niet bij ons op school, wel was de garage soms een speelplaats.

Op een dag kwamen mevrouw en meneer Mok thuis, lopend met een grote tas. Samuel en zijn zus kwamen een paar dagen later. Mijn ouders en de buren waren blij hen weer te zien, maar tegelijkertijd hing er verderop in de straat een roddelsfeer met verdachtmakingen. Pijnlijk, maar de familie Mok leek er rustig onder. Jaren later, ik woonde inmiddels in Amsterdam, kwam de naar Israël geëmigreerde familie Mok ter sprake en hoorde ik details van het zeer verdeelde welkom. Sommige mensen in de straat bleken verontwaardigd te zijn over de plotselinge terugkeer van de familie Mok. Waar zijn jullie geweest, wat komen jullie hier doen en gaan jullie weer poetsdoeken maken en geld verdienen.

Mijn ouders vertelden het me zoveel jaren verder met een mengeling van schaamte en woede. Of zoals mijn vader zei: er was heel wat fout, ook na de oorlog. Hij was en bleef verdeeld over de bevrijding, weinigen konden volgens hem trots zijn. Wat plagerig neuriede dan mijn moeder een strijdlied, af en toe vervlochten met kampioen, kampioen ….

Hans Boot