 John Barker recenseert het boek Goodbye Mr Socialism, een interview met Toni Negri in boekvorm.
Goodbye Mr Socialism,
heeft de vorm van een lang interview – zo'n 230 pagina's - opgedeeld in
thematische hoofdstukken hoewel die opdeling prettig flexibel is, zoals
dat meest veelzijdige woord luidt en wiens veelzijdigheid op zichzelf
weer een onderwerp in het boek is. De interviews werden in 2006
gehouden, toen Negri 73 jaar oud was en zijn nog niet eerder in Engelse
vertaling verschenen. Ik ben zelf laatst voor het eerst in mijn leven uitgebreid geinterviewd,
en dat was een goede ervaring, met een betrokken interviewer die er
geen verborgen agenda op nahoudt. Het is een vorm die vanzelfsprekend
vrijer is dan wat vereist wordt in een stuk waarin je voortdurend zo
coherent mogelijk moet zijn en waarin elke opmerkingen van goede
bronvermeldingen moeten zijn voorzien. Tegelijkertijd kunnen de
belangrijke vragen en tegenstrijdigheden waar je misschien jaren mee
bezig bent geweest, maar die tegen de tijd van het interview een meer
directe relevantie hebben, beter geduid worden met daarbij de
mogelijkheid om ze in de loop van het gesprek nader te duiden en aan te
scherpen.
Toni Negri is een belangrijke en simpathieke denker geweest
gedurende het grootste deel van mijn volwassen leven. Hij heeft
gedurende die hele periode ook blijk gegeven van grote moed. In de
jaren '60 en begin '70 werd hij binnen de academische wereld erkend als
een wetenschapper met verstrekkende invloed. Tegen 1979 werd hij
beschuldigd van “morele verantwoordelijkheid” voor het geweld van de
Rode Brigades, een vergaand geÏnfiltreerd Bolshevistisch-achtige
stadsguerrilla-groep waar hij weinig mee gemeen had. Zijn misdaad, die
hij in dit boek herhaalt, is te zeggen dat verzet tegen staat en
kapitalistische onderdrukking eventueel geweld zou kunnen omvatten, en
dat dit gerechtvaardigd was. Dit voerde tot vele jaren ballingschap in
Frankrijk en gevangenschap in Italië.
Voordat dat gebeurde, lag het belang dat hij vormde voor mij en
mensen die ik kende, in het geven van een theoretische wezenlijkheid,
die gevestigd was in de werkelijkheden van klasse-compositie, voor een
non-Bolsjevistisch (Leninistisch) communistische politiek, nadat eerder
de Situationisten ons het stilistische vertrouwen hadden gegeven om dat
te verwerpen. Op het moment dat de Italiaanse Communistische Partij nog
steeds een belangrijke macht in Italië vormde en samen met andere
intellectuele kameraden zoals Sergio Bologna (allemaal heldhaftig
vertaald in het Engels en gedrukt en uitgegeven door Ed Emery in de
'Red Notes' serie), zette hij het idee van een voorhoedepartij op z'n
kop. Arbeiders hoefden helemaal niet geleid te worden door een elite
partij wiens voornaamste belang was om ze onder controle te houden.
Tactisch gezien betekende het de analyse van klassesamenstelling,
eentje die in die tijd de ontwikkeling van het kapitalisme zelf
aanstuurde. Zo'n analyse zorgde voor een opmerkelijk vooruitziendheid
van de groep, die begreep dat het niveau van arbeidsmilitantie en
zelverzekerdheid een crisis van discipline voor het kapitalisme
betekende en dat diens antwoord de wereld zou zijn van de 'vrije markt'
waarin niemand meer was om mee te onderhandelen en waarin lonen
verlaagd konden worden door aanvallen op de munt waarin ze betaald
werden. Deze 'vrije markt' die 30 jaar lang een sprookjeswereld was,
dondert nu om ons heen in elkaar, en hoewel hij niet echt ingaat op de
details van 'derivatives', hedge funds en rating agencies (en bovendien
de hele kwestie van waarde ('value') problematisch vindend) is hij heel
duidelijk over wat er gaande is: als hij het heeft over “de volledige
overheersing van het werkelijke door kapitaal.” En nogmaals duidelijk
over wat er gaat gebeuren (bedenk dat dit in 2006 gezegd werd) als hij
zegt. “ik geloof dat de agressieve neoliberale cyclus definitief
beëindigd is”.
Niet zo lang nadat Negris echte rechtszaken en beproevingen achter de
rug waren, werd hij plotseling een internationale bestseller met het
boek Empire, dat hij samen met Michael Hardt schreef. Het is een
actueel boek in een poging om niet alleen globalisering te analyseren,
maar dat ook te beschouwen als een kans voor communisme. Dat komt
gedeeltelijk voort uit de tamelijk orthodoxe Marxistische argument uit
de Tweede Internationale dat kapitalisme, als productieve krachten,
zichzelf op een wereldwijde schaal moet ontwikkelen, maar ook uit een
analyse van de nieuwe klassecompositie die ontstond in het tijdperk van
de 'vrije markt' die bleek samen te vallen met belangrijke
ontwikkelingen in die productieve krachten in de sectoren van
communicatie en computers.
Sinds die tijd is hij iets geworden als een Profeet, zoals David
Graeber hem omschreven heeft. Dat is niet hetzelfde, moet ik zeggen,
als een guru, wat echt banaal zou zijn, maar een Profeet die de
mogelijkheid van een nieuwe wereld aankondigt. Dit is op zichzelf niets
bespottelijks, en hij is bijzonder in het aanvaarden van deze rol. De
grootste waarde ervan is een krachtig optimisme. “We moeten aandringen
op het perspektief van een gemeenschappelijk recht; we staan op het
omslagpunt naar een nieuwe beschaving.” Dat is een echt contrast met
het burgerlijke pessimisme dat ook heerst in wat hij noemt 'Links'. Dat
is een 'Links'dat hij definieert als “het innige huwelijk tussen
hervormingsgezind socialisme en bolshevisme,” en dat hij herhaaldelijk
veroordeelt. Het is ook een afwijzing van een omgekeerd pessimisme dat,
gewapend met een afstreeplijst, alleen maar wijst op de
onvolkomendheden van verschillende strijden. Vandaar dat hij de acties
in Seattle tegen de WTO prijst, terwijl hij tegelijkertijd verklaart
dat dit het begin was van een korte strijdcyclus.
Dit is allemaal van belang. Ervaringen van momenten van overwinning
geven kracht als ze tenminste niet omslaan in momenten van spijt en
nostalgie, omdat ze voer geven aan de hoop dat de dingen radikaal
kunnen veranderen door massale creatieve actie. Voor mijn generatie gaf
de ervaring van Portugal in 1974-5, ondanks het uiteindelijke verlies,
een voorproefje van wat een communistische maatschappij zou kunnen
zijn; van hoe radicale verandering, of 'breuk' zoals hij het noemt, als
verrassing kan komen, en van hoe subversief dat is, als grove
opvattingen van onvermijdelijkheid de leidraad vormden in de meeste
fases van kapitalisme. Kristin Ross heeft benadrukt dat dit het
blijvende belang is van Frankrijk in mei '68, een belang dat gesmoord
wordt in romantisering en vooral door de rol buiten beeld te laten van
de massale arbeidersacties als antwoord op de oorspronkelijke
studentenopstand. Zo'n strategie was ook ontplooid in burgerlijke
verslagen van wat er in Seattle gebeurde, verslagen die Negri op z'n
beurt onderuit haalt. Zijn eigen voorbeeld van plotselinge verandering
is wat hij noemt de commune van Madrid, dat antwoord van de straat op
de bomaanslagen op de treinen in Madrid en de poging van een
semi-fascistische regering, die afkoerste op een zekere
verkiezingswinst om de aanslagen in de schoenen te schuiven van
Baskische separatisten, maar dat zag mislukken door de verkiezingen
alsnog te verliezen. Wat met name relevant is in onze eigen tijden aan
het eind van die sprookjeswereld van 'de vrije markt' is dat wat in
Madrid gebeurde een massarevolte was tegen vervalsing. “Het leek,” zegt
hij, “op een vreemd mengsel van technologische elementen,
verontwaardiging en bevestiging van de waarheid.”
Dit is allemaal van belang, maar er zijn problemen met de bredere
maatschappelijke aanspraken die hij maakt op de toekomst. De eerste is
een gewoon intellectueel probleem, namelijk het geven van teveel
gewicht aan gebeurtenissen en fenomenen, waardoor daar ook weer het
leven uit gedrukt wordt. Dat is het gevaar als er teveel belang gehecht
wordt aan Seattle of Madrid, en daar dan een theoretische
superstructuur op te bouwen. Dit is ook verbonden aan de tendens om
woorden uit te vinden met de bedoeling dat die woorden dan zelf
bepaalde tegenstrijdigheden overwinnen en nieuwe werkelijkheden
verkondigen alsof die al verwezenlijkt zouden zijn. Ik vind dat vooral
problematisch aangezien het juist het gebruik van woorden om de actuele
werkelijkheid te vervangen is geweest wat zo karakteristiek is geweest
voor de sprookjeswereld van de vrije markt, wat veel doordringender is
geweest dan Orwell's 'double-speak'. In het geval van Negri kondigt het
woord 'multitudes' bijvoorbeeld een nieuwe solidariteit aan door een
woord te lanceren, vooruitlopend op het feit dat klassecompositie niet
langer is als voorheen. Het is niet het simpel lanceren van een nieuw
woord, maar gaat uit van de veronderstelling dat als er meer van dit
soort woorden gelanceerd zouden worden, er een nieuwe glans gegeven kan
worden aan bepaalde ontwikkelingen binnen de stedelijke arbeid. Dat
zijn dan de 'immateriële', soms ook 'cognitieve' arbeid (kennisarbeid,
vert.); een 'cognitariate' klasse; en 'precaciteit' (of bedoelt hij:
'precariteit', vert.)
Als een viering van de samenwerkingsgezindheid van stedelijk leven,
is het een geëigend optimisme, een dat zich teweerstelt tegen die
reactionaire visie dat we allemaal natuurlijke egocentrische
concurrenten zijn – waarbij de zeldzame momenten van doorgedraaide
automobilisten overbelicht worden ten opzichte van het pragmatische
geven-en-nemen van het stadsverkeer. “Precies de complexiteit van ons
leven voert ons tot daden van solidariteit; anders zouden we niet eens
kunnen leven,” schrijft hij, en beschrijft het dan het best met zijn
verslag van de transportstaking in Parijs in 2005. Het is wat daar
vervolgens bovenop geconstrueerd wordt, wat problematisch is. Bij
vlagen klinkt dit nieuwe 'multitide' en 'cognitariaat' nogal als het
burgerlijke utopianisme van Richard Floridas 'creatieve klasse', die
sociaal en vooral seksueel bevrijd zou willen leven in stedelijke
gebieden waar zo'n levensstijl de hoofdmoot vormt. Dit is vooral
moeilijk te verkroppen als Negri verklaart dat “de 'multitude' het
begrip klasse op zal nemen.” Je zou eerder zeggen dat het echte
tegenstellingen opneemt en de vele uitdrukkingen van de heterogeniteit
van leven en strijden en het lijkt erop dat hij een oude strijd voert
tegen hardnekkige Linkse begrippen als de 'massa-arbeider'. Terwijl in
een ander deel van het interview, dat gaat over de oorlog tegen
Bosnië-Herzegovina, hij niet alleen klinkt als velen van het oude links
met hun fantasiën over Servië als 'communistisch', maar dan even
achteloos over drie jaar bombardementen van Serajevo glijdt, met z'n
strategie van willekeurige terreur. Hij noemt het niet eens terwijl hij
de oorlog relativeert, maar was Serajevo niet precies die heterogene
stad van de 'multitude'? En was dat niet ook de reden van de haat die
er op losgelaten werd?
Het concept van 'immateriële/cognitieve' arbeid lijkt aan de andere
kant op het opkalefateren van een oudere werkelijkheid: kapitaal is
altijd bezig met het afnemen van de kennis van arbeiders om die voor
het eigen nut te gebruiken en ten nadele van diezelfde arbeiders. Dat
is allemaal goed beschreven door Harry Braverman in Labour and Monopoly
Capital, dat 40 jaar geleden werd uitgebracht. Veel sectoren van
productie en de logistiek die hen tot elkaar verbindt, behelzen zowel
cognitieve als materiële arbeid.
Hij gaat dan verder met het idealiseren van die cognitieve arbeid, met
het argument dat die zich afspeelt buiten de tijd die door de baas te
meten is, en dat wat hier nieuw aan is is dat het 'vastgelegde
kapitaal' – machines, werktuigen en zo – gefinancierd en gecontroleerd
door kapitaal, vervangen wordt door de individuen van het cognitariaat
wiens “eigen hersens vastgelegd kapitaal zijn.” Dit is het
sleutelelement in de materiële basis voor zijn optimisme die afkomstig
is uit een orthodoks Marxistisch “geloof in de ontwikkeling van de
productieve krachten.” Dit zou het geval moeten zijn in een
niet-uitbuitende economie, maar we kunnen moeilijk ontkennen hoeveel
cognitieve arbeid betrokken is bij de ontwikkeling van nieuwe wapens;
van technologie voor 'terminator' zaden, de steed verder groeiende
bewakingsindustrie, om maar te zwijgen over de verfijnde financiële
sectror die nu beschreven wordt als 'casino kapitalisme'.
Volledige coherentie in de opvattingen van een activistische
intellectueel als Negri, met name in zo'n uitvoerig interview, zou
verdacht zijn, vergelijkbaar met Baudelaire's wantrouwen jegens de man
die alleen maar water drinkt. Elders is hij een materialist, en ik zou
zeggen met grotere precisie, als hij vertelt over de verschuiving van
wat 'waarde' is: “De maatstaf van rijkdom is niet langer dat wat
verbonden was aan de klassieke wet van waarde en industriele
ontwikkeling, maar is meer verbonden aan de controle van bevolkingen en
samenlevingen, aan mechanismen van biomacht.” Terwijl als hij in de
idealistische stand staat, vaak cognitariaat en het 'precariaat' aan
elkaar smeedt, alsof er geen essentieel verschil zou zijn tussen mensen
die naar believen opgeroepen worden om te werken aan de kassa en die
mobiele en 'flexibele' specialisten in de creatieve industrie (door
Deleuze en Guattari gefetishiseerd als 'nomaden') voor wie het betekent
dat ze werken op basis van kortlopende contracten. Natuurlijk voltrekt
zich een veelvormige proletarisering van dergelijk werk: - “Kort
gezegd, de middenklasse is niet meer wat die geweest is,” stelt hij –
maar door alles in een bak te gooien maakt hij geen gedegen analyse van
de klassecompositie van deze multitude. De 1e Mei (bedoeld wordt de
'euromayday'-demonstraties van de laatste jaren, vert.) is zijn punt
van politieke vertegenwoordiging van de 'multitude', een dag waarop het
zich laat zien zoals ze werkelijk is. Maar, tenminste in het Verenigd
Koninkrijk, is de politierepressie en staatspropaganda op deze dag zo
sterk geweest, dat het de kloof heeft laten zien tussen het precariaat,
dat weinig in de melk te brokkelen heeft en dat nog steeds wel te
porren is voor straatacties, en andere radicalen in een meer
gepriviligeerde positie die bezorgd zijn om geen strafblad te krijgen
of uren lang vastgepind te worden op grond van Rule 60 (speciale
openbare orde wetgeving, vert.) De strategie is geweest om de
'multitude' op deze manier te beperken, zodat de staat en z'n media de
schouders kunnen ophalen en zeggen, “Daar, we hebben het toch gezegd,
het is maar een handjevol mensen en het zijn maar wat onruststokers.”
Negri daarentegen valt dan terug op een analyse van 'politieke
compositie' waarbij hij kan theoretiseren over “de politieke
organisatie van mobiele arbeid – flexibele, cognitieve, precair etc.
Mobiliteit en flexibiliteit bevatten elementen van
onvoorspelbaarheid...” Terwijl we weten dat opgelegde 'flexibiliteit'
betekent dat de intensiteit van arbeid toeneemt, dan zal de
onvoorspelbaarheid weinig genoegdoening brengen. in ieder geval niet
als hij niets prijsgeeft over het wezen van de politieke organisatie,
tenzij we fantaseren over een strategie uit een ander tijdperk met een
heel andere klassesamenstelling, de Wobblies, de Industrial Workers of
the World... En zelfs als hij nader aanduidt – op de manier die
interviews mogelijk maken – zegt hij alleen maar algemeenheden, terwijl
hij in hetzelfde abstracte vocabulaire blijft steken. “Arbeidsmacht
heeft geen behoefte om precair te zijn, maar het wil ook vrij zijn om
mobiel en flexibel te zijn als dat het geval is.” Wat hij wel
voorschotelt, zoals een profeet ook verplicht is, is een verenigende
eis: de roep om een basisinkomen. En dat is ook van belang, dat de
heterogene multitude eisen heeft waaromheen het samen kan komen.
Het beste van Negri's boek is dat het je ook kan verrassen. Als hij
praat over specifieke situaties en niet gevangen zit in dat vocabulair,
is hij duidelijker en altijd met genegenheid jegens mensen die
strijden. Het is wat hij zegt over Brazilië dat als meest nuttige
verrassing komt. Het interview is ruim twee jaar geleden gehouden en
misschien heeft de Arbeiders Partij in de tussentijd te hard afgeremd
van wat mogelijk was, maar zelfs in 2006 zou men kunnen denken dat hij
er niet veel sympathie voor zou hebben. Voor het grootste deel van
'links' is het 'reformistisch' en tegen de arbeidersklasse gekant, maar
Negri is in staat om een strategie te ontwaren van een land dat zich
losweekt van het model van afhankelijkheid, en dat is iets van een
voorwaarde die tijd vergt. “Het proces van revolutionaire breuk met de
sociale ongelijkheid was duidelijk uitgesteld om te zoeken naar een
nieuw internationaal evenwicht, noodzakelijk voor de regering om een
wederinstelling van een zekere maatregel van autonomie van het kapitaal
te kunnen doorvoeren.” Eurocentrisch als Negri zich onbeschaamd
betoont, neemt hij aan, zonder een ideologisch waardeoordeel te vellen,
dat het waarschijnlijk noodzakelijk is voor Brazilië om die breuk met
sociale ongelijkheid plaats te laten grijpen. Uiteindelijk suggereert
hij dan niet dat de regering te kwader trouw zou kunnen zijn. Dit
vertrouwen is gebaseerd op de bredere politieke cultuur van Brazilië
met zijn verschillende vormen van 'participatieve democratie'. Het is
deze erkenning die de waarden van het boek het beste belicht. De
abstracte structuren die Negri op kan zetten, zijn soms genoeg om je in
de gordijnen te jagen, maar de gulheid van geest waarmee hij ons
informeert over zijn profetische geloof in het ontstaan van een
waarlijk communistische samenleving, is stimulerend.
Over de recensent: John Barker
is geboren in Noord Londen, waar hij nog steeds woont. In de jaren '70
werd hij gevangengezet als een 'samenzweerder' van de Angry Brigade en
begin jaren '90 zat hij een volgende gevangenisstraf uit voor het
smokkelen van hash.
|