zaterdag, 1 juni 1991

De Nederlandse vluchtelingenpolitiek is restrictief. Het nieuwe regeringsbeleid dat thans in de steigers staat betekent vooral een 'modernisering' van het uitwijzingsbeleid: in de toekomst zal de ongewenste vreemdeling niet op de eerste plaats het land worden uitgezet, maar van de maatschappij worden uitgesloten.

"Nederland is vol", luidt het onuitgesproken maar dominante motto boven het nieuwe regeringsbeleid voor vluchtelingen, dat nog voor het zomerreces door de Tweede Kamer gejenst moet worden. Het `tolerante' Nederland bereidt maatregelen voor om de toegang tot ons land te bemoeilijken, maar vooral om het uitwijzingsbeleid te `moderniseren': in de toekomst zal de ongewenste vreemdeling niet op de eerste plaats het land worden uitgezet, maar van de maatschappij worden uitgesloten.

Uitsluiting is de toekomst, maar het heden is evenmin florissant. Het fundament van het Nederlandse vluchtelingenbeleid is de ontmoediging, de pijlers zijn tegenhouden en terugsturen, criminalisering en vreemdelingenangst zijn troffel en mortel, het bouwwerk zelf is een juridisch labyrint, overkoepeld door de gastvrijheid van de detentie. Hierna wordt geprobeerd bloot te leggen wat de politieke ratio van de ontmoedigings-architektuur is.

het nadeel van de twijfel

De Nederlandse vluchtelingenpolitiek is restrictief. Om te beginnen is de gehanteerde definitie van vluchteling beperkt: Nederland houdt zich aan het verouderde Verdrag van Genève uit 1951, waarin een vluchteling iemand is die persoonlijk is vervolgd of voor vervolging moet vrezen. Oorlog, natuurramp, hongersnood, epidemie, dictatuur zijn in deze definitie geen erkende vluchtmotieven.

De definitie uit 1951 wordt op zich restrictief geïnterpreteerd. De asielvrager moet bewijsstukken overleggen van het persoonlijke, levensgevaarlijke risico van verblijf in eigen land. Vluchtelingen worden behandeld als verdachten; voor de asielzoeker geldt de omgekeerde bewijslast waarmee hij zijn onschuld moet aantonen. Twijfel voert in de asielprocedure de boventoon en de geringste twijfel over het asielverzoek is al genoeg voor afwijzing en uitzetting.

diplomatie

Internationale betrekkingen -politieke bondgenootschappen, economische en commerciële relaties, ontwikkelingshulpprojecten- bepalen in hoge mate de asielkans. Om te beginnen is Nederland, zo niet direct medeplichtig aan een aantal onderdrukkingsverhoudingen in verre landen, dan toch stilzwijgend en gedogend daarvan op de hoogte. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft welgevaren bij leveranties aan de oorlogvoerende Golflanden en kneep consequent een oogje dicht voor de mensonvriendelijke regimes ter plaatse; de overheid stelde zich garant voor de risico's. Met Bangladesh had Nederland zo'n fijne ontwikkelingshulprelatie dat niet mocht worden toegegeven dat het een dictatoriaal geregeerd land was.

Elke diplomatieke dienst houdt zich vooral bezig met de economische betrekkingen, op de tweede plaats met gestrande toeristen en liever helemaal niet met in hun mensenrechten aangetaste plaatselijke burgers. Het is ook absoluut niet diplomatiek om toe te geven dat er aan de mensenrechtensituatie iets schort, de betrekkingen tussen twee landen mogen niet om niemendalletjes onder spanning komen te staan. Terughoudendheid op het gebied van de toelating van vluchtelingen is daarom altijd geboden; een vluchtmotief erken je pas op het allerlaatste moment, en als Den Haag toch vraagt om een rapport over de mensenrechtentoestand, dan weet je als consul of ambassadeur van niets, het is immers zo onzakelijk, het heeft zo weinig te maken met import en export.

Gelukkiger is dan de vluchteling die het land verlaat waarmee Nederland op politiek vijandelijke voet staat. Van de vluchtelingen die Nederland in 1977-1989 uitnodigde, was 76% Vietnamees; van wie uit dictaturen als El Salvador of Guatemala week, werd vaak 95% teruggestuurd.

economie

Behalve dat de politieke harmonie tussen verschillende staten de erkenning van vluchtmotieven belemmert, is er de vraag van de economische bruikbaarheid van de vluchteling. Het principe van de rentabiliteit van de mens is een van de meest fundamentele grondslagen van de kapitalistische samenleving. Vroeger was een vluchteling nog wel eens bruikbaar. De Koude Oorlog bracht een stroom van welopgevoede en -geschoolde vluchtelingen voort: dissidente intellectuelen en kunstenaars, die politiek monddood waren gemaakt. Gezien hun opleidingsniveau en vaardigheden was de kans groot, dat ze economisch rendabel konden worden, zo niet, dan was het politieke propagandavoordeel groot genoeg om er een sociale uitkering aan te spenderen.

Als nog maar een paar jaar geleden zich een Pool meldde aan de West-Duitse grens met de mededeling dat hij graag wat meer zou willen verdienen, werd hem steevast aanbevolen maar politiek asiel aan te vragen. Thans zijn Oost-Europese vluchtelingen niet meer dan een economische schadepost. Ze worden over dezelfde kam geschoren als vluchtelingen uit derde wereldlanden: dat zijn geen eenlingen wier gastvrije opname in ons asielsysteem een teken is van de intense democratische gezindheid van ons politieke bestel, nee, ze worden ontdaan van hun persoonlijke lotgevallen, ge-ontindividualiseerd en voorgesteld als hongerige massa's: het rode gevaar vervangen door door dat van de broodrovers uit den vreemde.

derde wereld

Het asielbeleid maakt deel uit van het vreemdelingenbeleid. Vluchtelingenpolitiek is onderdeel geworden van de migratiepolitiek. De vluchtelingen komen tegenwoordig vooral uit honger-, armoede- en andere probleemgebieden: derdewereldlanden.

De derde wereld wordt tegelijkertijd binnengehaald en buitengesloten. De aantrekkingskracht van de westerse (noordelijke) welvaart is even sterk als die van een dal voor een waterval. Gedeeltelijk passen de derde wereld-vluchtelingen in ons economische bestel: ze kunnen goedkope arbeid verrichten (bijvoorbeeld in illegale naaiateliers, in de horeca, in de bollen, via koppelbazen in de Rotterdamse haven, in de prostitutie, in de glastuinbouw, in de schoonmaaksector). De groei van het aantal rechteloze uitgeprocedeerden past uitstekend in de behoeften van het informele economische circuit. Maar slechts in beperkte mate. De arbeidsdeling tussen de noordelijke en de zuidelijke wereld heeft namelijk al zijn beslag gekregen: goedkope grondstoffen en producten worden via goedkope arbeid uit de goedkope derdewereldlanden betrokken. Deze landen draaien vervolgens zelf op voor de problemen van werkloosheid, armoede, ziekte en andere ellende en dat is wel zo netjes voor ons. Om dat zo te houden, wordt onze wereld hermetisch afgesloten. Naar het voorbeeld van de Amerikaans-Mexicaanse grens wordt van het Schengen-Europa een bolwerk gemaakt, de Berlijnse muur wordt vervangen door een noord-zuidwal.

In de tweede wereld wordt tot intense vreugde van de westerse ondernemers en politici het vrijmarktbestel ingevoerd. Alles heeft echter een keerzijde: in dit geval levert de uitbreiding van de verkeersvrijheid van kapitaal en goederen tevens die van mensen op. Vandaar dat in Haagse kringen de invasie van `miljoenen' (arme) Russen met genepen billen wordt afgewacht.

openbare orde en racisme

Van de tientallen miljoenen vluchtelingen in de wereld, bereiken er slechts enkelen Nederland. Voor ze worden uitgezet, moeten ze worden opgevangen. Het plaatsingsbeleid voor asielzoekers is heel bijzonder. Bij uitstek in kleine gemeenschappen worden opvangcentra gepland. De voordelen van buitengewesten zijn drieërlei: integratie in een kleine gemeenschap is moeilijker dan in het stadsleven, onderduiken op het platteland is moeilijker dan in de metropool, de controle is in een dorp eenvoudiger uitvoerbaar.

Niet dat de asielzoeker de geneugten van het vriendelijke dorpsleven kan smaken. Voor een kleine dorpsgemeenschap is het heel wat, als de staat ongevraagd de sociale verhoudingen omwoelt door de inplanting van een grote groep vreemdelingen. De onrust die kan ontstaan, wordt door de overheid soms benoemd als een `gevaar voor racisme', waarmee zij niet zozeer bezorgd is om het wel en wee van de gevluchte medemens, maar om de openbare orde- problemen en natuurlijk vooral een te massieve instroom van vreemdelingen. Racisme wordt schaamteloos ingezet als wapen tegen asielzoekers.

afschaffen van mensen

De uiterste consequentie van het ontmoedigingsbeleid is de totale (totalitaire) afschaffing van mensen. Asielzoekers bestaan ternauwernood, althans dat mogen ze niet. Uitgeprocedeerden (illegaal geworden, ondergedoken of nog niet uitgewezen vluchtelingen) existeren domweg helemaal niet. Eigenlijk hadden ze om te beginnen het land niet moeten binnenkomen, maar als het toch zover gekomen is, is de non-existentie de beste status. Het begint meteen bij de eerste opvang: vluchtelingen die het privilege hebben om een asielaanvraag te mogen indienen, krijgen in plaats van een inkomen zakgeld, ze krijgen geen opleiding, geen arbeid, geen kansen tot integratie. Ze horen nergens bij. Grenzeloze verveling en vooral een (menigmaal letterlijk) gek makende onzekerheid tijdens het afwachten van de meestal negatieve beschikking is hun deel.

Non-existent zijn uitgeprocedeerde, ondergedoken vluchtelingen. Juridisch bestaan de illegalen niet, om preciezer te zijn: mensenrechtelijk bestaan ze niet, alleen strafrechtelijk.

In feite gedoogt de overheid, dat een grote groep illegale allochtonen een leven leidt op het uiterste randje van de maatschappij. Die tolerantie houdt op, zodra de uitgeprocedeerden aanspraken maken op sociale voorzieningen en andere burgerrechten, of zodra ze de openbare orde schenden.

Agressiever van aard zijn de consequenties van de juridische non-existentie: van een grote groep mensen wordt zonder meer hun sociaal-economische bestaan ontkend. Deze maatschappelijke non-existentie kan worden uitgesplitst naar alle maatschappelijke terreinen: illegalen hebben geen recht op werk, geen recht op een uitkering, geen recht op onderwijs, geen recht op culturele voorzieningen, geen recht op huisvesting, geen recht op medische zorg. Ze worden hooguit verwezen naar de pannetjes soep van het Leger des Heils, het Huis Voor Onbehuisden, de Witte Jas, de nonnen van Moeder Theresa enzovoorts. Niet dat bedelen hun recht is, maar het is samen met zwart leven (inclusief criminaliteit) hun enige bestaansmogelijkheid. Illegalen zijn slechts eendimensionaal: ze hebben uitsluitend het `recht' te worden vervolgd, gepakt en verwijderd.

ideologie versus rede

Staat en overheid verspreiden met hun ideologische propaganda de beangstigende mening dat Nederland tjokvol is, dat de burgers geen vluchtelingen in hun midden wensen, dat het criminelen zijn omdat ze met valse papieren binnenkomen (Kosto over de Libanese oorlogsvluchtelingen), dat ze niet uit politieke maar uit economische motieven komen en dus leugenaars zijn (Roemenen, Libanezen, Bengalen), dat het land van herkomst niet gevaarlijk is omdat bijvoorbeeld verkrachting tot het geijkte cultuurpatroon behoort, dat een oorlog leefbaar is. De overheid bagatelliseert het probleem en omdat dat blijkbaar niet genoeg is, criminaliseert en stigmatiseert zij de hier te lande gearriveerde asielzoekers.

De ratio van het vluchtelingenbeleid wordt daarmee niet uitgesproken, maar daarentegen wordt verwezen naar de hebzucht, het opportunisme en andere nare eigenschappen van de slachtoffers en hulpzoekers. Daarin zou de ratio liggen van het vluchtgedrag.

Dat Nederland niet bereid is om toe te geven ongastvrij te zijn, is niet zo interessant. Vooral weigert het rijke westen (noorden) zijn verantwoordelijkheid toe te geven voor armoede, dictatuur en oorlog in den vreemde. Daar gaat het om.

remedies

Om het probleem bij de wortel aan te pakken, moeten de vluchtredenen verdwijnen. Dat betekent, dat door een wereldrevolutie de tegenstelling tussen noord en zuid moet worden opgeheven, wat insluit, dat de grenzen moeten verdwijnen. Maar wie wil er wachten op de nieuwe wereldorde? Mensen die nu ongelukkig zijn, kunnen niet tot geduld worden gemaand; geluk is geen aangelegenheid van de hemel, maar een aards recht voor iedereen. Kortom: wie nu in Nederland is, heeft recht op het genot van alle mensenrechten en dus op een volledige en volwaardige juridische status.

In concreto, gemeten aan de vluchtelingenproblematiek, betekent dat nogal wat. Het glasharde ontmoedigingsbeleid van de overheid moet worden vervangen door een beleid dat is gestoeld op de werkelijkheid. Dat vereist kritiek op onderdrukking van zowel politieke als religieuze, raciale, culturele en economische aard, dat vereist de erkenning dat sommige `bevriende staatshoofden' dictators zijn, dat vereist de zelfkritiek dat Nederland uit eigenbelang regelmatig onderdrukking oogluikend toelaat en derhalve gedoogt. Zo'n beleid zou het belang van de vluchteling centraal stellen.

uitsluitingsbeleid

Terug naar de politieke realiteit. Het pakket antivreemdelingenmaatregelen dat onze volksvertegenwoordigers binnenkort mogen beoordelen, bestaat vooral uit:

1. verplichte detentie van asielzoekers. De toekomstige vluchteling die nog zo dom is zich te melden en zich aan de voorschriften van beschikbaarstelling te houden, zal voortdurend in overheidsmacht zijn en zodoende eenvoudig kunnen worden uitgezet.

2. Verscherpte en `gemoderniseerde' controle op de vreemdelingen hier ten lande. De meeste vluchtelingen en andere migranten zullen zich aan de controle onttrekken en zich illegaal in Nederland ophouden. Om dat illegale verblijf onmogelijk te maken, wordt de legitimatieplicht ingevoerd en zal de Gemeentelijke Basis Administratie zo worden uitgebreid, dat door koppeling van allerlei registratiebestanden illegalen geen gebruik meer kunnen maken van collectieve voorzieningen (behalve dat ze nog wel gebruik mogen maken van de openbare weg).

Veel illegalen werken, maken deel uit van het omvangrijke `zwarte' circuit. Ze genieten nauwelijks rechtsbescherming, staan bloot aan allerlei uitbuitingsverhoudingen, konden tot dusver in sommige gevallen gebruik maken van collectieve voorzieningen. Een groeiende groep kan dat niet. Het zijn de marginalen, die geen inkomen, geen uitkering, geen huisvesting, geen onderwijs en/of geen medische verzorging hebben.

Er bestaat behoefte aan die illegalen, ze worden functioneel immers opgenomen in de productie. De West-Europese bevolking vergrijst en veroudert in hoog tempo, de demografische ontwikkeling toont zowel daardoor als door het slinkende geboortecijfer een dalende tendens. Scherp in tegenstelling daarmee staat de demografische ontwikkeling in de arme, verarmende delen van de wereld. De consequenties zijn tweeërlei: 1) de behoefte aan immigratie van arbeidskrachten in Nederland (West-Europa, het rijke westen) zal blijven bestaan en zelfs toenemen; 2) de behoefte aan een menselijk bestaan van de aspirant-migranten zal sterk groeien en navenant zullen de pogingen tot vestiging in Nederland toenemen. Overigens is deze ontwikkeling in de verhouding tussen arm en rijk niet alleen een demografische kwestie, maar ook een economische; de ellende die de volksverhuizing voortstuwt in onze richting komt politiek-economisch gesproken goeddeels op conto van het rijke westen.

Nederland is een immigratieland. De demografische en economische ontwikkelingen kunnen alleen maar leiden tot grotere instromen van migranten. Voor hen zal uitsluiting van de voor legalen geldende burgerrechten (waaronder toegang tot de collectieve voorzieningen) niet zomaar leiden tot een vrijwillige terugtrekking: de mogelijkheden van de (zwarte) arbeidsmarkt blijven daarvoor te groot en te aantrekkelijk voor de werkgevers, het aantal marginalen zal door de maatschappelijke uitsluiting toenemen. Een goeddeels rechteloos sub-proletariaat zal groeien.

Het Nederlandse `J'accuse', traditioneel gericht op schendingen van mensenrechten in het buitenland, moet een binnenlandse richting krijgen. Door de wettig gesanctioneerde onmenselijke behandeling van mensen (vreemdelingen) in Nederland zullen elementaire burgerrechten en mensenrechten geschonden worden. Het institutionele racisme zal worden versterkt.

de ratio van het vreemdelingenbeleid

In de jaren twintig (van de vorige eeuw, red) vreesde men in o.a. Duitsland en Nederland voor uitsterven van het eigen volk en zag men in de groeiende Slavische volkeren een bedreiging (`Duitsland is vol', `de Polen en de Oost-Europese joden komen van onze rijkdommen profiteren'). De nazi's hebben naast de kwantitatieve bevolkingspolitiek de kwalitatieve ingevoerd: euthanasie op gekken en invaliden, sterilisatie van asocialen, aanmoediging van kinderrijkdom bij de `Volksdeutschen', `Tod durch Arbeit' voor joden, homo's, linksen, zigeuners. Deze kwalitatieve politiek werd uitgevoerd door de alledaagse burocratie, door het vertrouwde ambtenarenapparaat.

Kort na de Tweede Wereldoorlog vond 60% van de Duitsers nog steeds dat Hitler een goeie was, alleen had hij het wat te bont gemaakt. Thans zullen de westerse burocratieën niet vervallen in de fascistische uitroeiingstechnieken van het Derde Rijk; de bevolkingspolitiek kan immers op een `humane' wijze even efficiënt worden uitgevoerd:

thans wordt in Nederland eenzelfde ambtenarenapparaat gebruikt om het racisme nieuwe, wettige grondslagen te geven: de `toonplicht voor eenieder' is de legitimatieplicht voor allochtonen, de koppeling van registratiebestanden is het burocratische uitsluitingsapparaat jegens illegalen;

thans wordt in Nederland een bevolkingspolitiek geïntroduceerd, waarin (illegale) migranten zullen zijn gedwongen tot arbeid op basis van een arbeidsverbod.

Leo Adriaenssen, ASKV

Het ASKV (Amsterdams Solidariteits Komitee Vluchtelingen) is een politieke organisatie, die werkt ten behoeve van illegale vluchtelingen, dat zijn uitgeprocedeerde, afgewezen asielzoekers en mensen die de stap van de asielaanvrage niet hebben gewaagd. Het ASKV maakt geen onderscheid tussen politieke en economische vluchtelingen. Door middel van manifestaties, publicaties en acties neemt het ASKV stelling tegen schendingen van de mensenrechten van vreemdelingen door de Nederlandse overheid.

In samenwerking met de zogenaamde buurtsteunpunten voor vluchtelingen doet het ASKV ook aan individuele hulpverlening aan illegaal geworden vluchtelingen: betere rechtsbijstand, onderduikadressen, zwart werk, trucs om te worden gelegaliseerd, overnieuw beginnen in een ander land, trouwen enzovoorts. Maar centraal staat niet de filantropie, het gaat om structurele veranderingen en daarvoor is een politieke stellingname en politiek handelen nodig.