woensdag, 17 maart 2021

Er zijn dieren die gereedschap gebruiken of die rotsen als aambeeld benutten, maar de mensen en hun voorzaten doen exponentieel meer met dingen dan alle andere dieren. Een paar gedachten.

Er zijn mensen en er zijn dingen en ergens daar tussenin is er de consumens. Het zijn biologisch gezien mensen, met al hun onderlinge relaties tot voortplanting aan toe, maar ze hebben ook heel sterke relaties met dingen. Ze willen veel van die dingen hebben, bijvoorbeeld. Als het ineens niet mogelijk is om te shoppen, krijgen ze pittige abstinentieverschijnselen die hun biologisch en relationeel functioneren negatief beïnvloeden.

Consumensen kunnen aan bepaalde dingen ‘status ontlenen’. Dat wil zeggen dat zij bepaalde dingen op een voetstuk zetten en dat ze vinden dat andere mensen dat ook moeten doen. Ze willen dat bepaalde intermenselijke relaties door die statusdingen anders worden, meer in hun voordeel. Ze kunnen het niet velen als er mensen zijn die statusdingen gebakken luchtdingen vinden. Nieuwe kleren van de keizer. Die een auto een auto vinden en niets meer, ook al staat er Lamborghini of Ferrari of Rolls-Royce of Mercedes of Cadillac of BMW of Audi op. Of nog erger, vanuit de consumens gezien: dat er mensen zijn die een auto een krankzinnig typisch twintigste-eeuws ding vinden waar veel te veel kilo’s ding een eenvoudige dingfunctie vervullen.

Consumensen zijn niet zo geboren, ze worden het in de loop van hun leven. Het gaat bijna vanzelf, lijkt het soms, maar het gaat niet echt vanzelf. De consumens moet ermee instemmen om van mens consumens te worden. Eenmaal kunnende lezen komen allerlei reclame-uitingen je onder de ogen. Zoals ook romans je onder ogen komen. Er is een wilsbesluit nodig om de roman te gaan lezen of om achter de reclameboodschap aan te gaan hollen. Beide kan. Beide kan ook niet. Bij de drogist stond een heel oude vrouw voor me bij de kassa. Ze kocht niets, had blijkbaar niets nodig, heel goed. Maar ze vroeg naar de reclamefolder en die werd voor haar gehaald. Blij huppelde ze, nou, schuifelde ze de winkel uit. Een consumens op leeftijd, het spellen van reclamefolders als hoogste genot. Slaaf van de dingetjes dus. Terwijl je ook kunt denken: ik koop niets waar reclame voor gemaakt wordt. Ik ga zelf informatie zoeken als ik een keer iets wil kopen, een schetsboek bijvoorbeeld. Of een verrekijker. Of een computer.

Een halve eeuw of iets langer geleden speelden twee kwesties tegelijk. De sociaal-democratie vond dat de lonen omhoog moesten en dat ook voor de arbeidersklasse autobezit een groot goed was. Dat was de ene kant. De arbeiders werden als altijd zo laag mogelijk betaald, waarbij ‘zo laag mogelijk’ staat voor het loonpeil dat geen opstand uitlokt. Dat loonpeil was een halve eeuw geleden een stuk hoger dan een eeuw geleden toen men nauwelijks nagels had om de kont te krabben, maar wel aan verheffing deed, kennis opdoen, zichzelf scholen, met de AJC (Arbeiders Jeugd Centrale) gratis de paden op en de lanen in te wandelen. Met ferme tred of nauwelijks vooruitkomend omdat de bloemen en de bijtjes bestudeerd konden worden. Ook dat was gratis evenals het strijden voor meer loon. Dat was decennia later heel aardig gelukt, maar het kon nog beter, de arbeiders konden consumensen worden. Met eigen auto, bijvoorbeeld.

Maar een andere kwestie speelde tegelijk ook al. Vervuiling, te veel spullen. En dan zouden er nog heel veel auto’s bij moeten? Bij kritiek daarop klonk een drogreden die geen naam heeft, voorzover ik weet. Dat je het ‘ze’ niet zou gunnen nu ‘ze’ het zich eindelijk kunnen veroorloven. Maar daar ging het niet om. We hoopten dat ‘ze’ niet wilden reproduceren wat de dingverslaafde rijken zich al langer konden veroorloven. Dat is ijdele hoop gebleken, consumens zijn ze geworden. Elke dag rijden honderdtwintigduizend auto’s langs mijn huis.

Er is nog een soort ding waar de consumens gek op is: smuk. Versierselen. Overbodige dingetjes. Hangbare dingetjes van goud of zilver. Smeerbare dingetjes als crempjes en kleurtjes. Naaibare dingen als glitter en schoudervullingen. Dat laatste vooral voor de consuman, lijkt ie nog een beetje alfaman.

Geld is ook een ding. Tastbaar in de vorm van stukjes metaal. Of lapjes papier waar je vertrouwen in kunt hebben. Of getalletjes op de site van een bank. In elk geval zijn er mensen die er niet genoeg van kunnen krijgen. Waarbij ‘krijgen’ staat voor: zorg dat anderen het niet krijgen. Dat is de enige manier waarop een rijke rijker wordt, of waarop een rijk land zorgt dat het een rijk land blijft. Met een gezonde concurrentiepositie, dat verhaal. Rijken willen zelfs nog steeds nóg meer geld als ze alles al hebben.

Aan de filantroop kan je zien waar het uiteindelijk om te doen is: macht. De filantroop heeft eerst gezorgd dat veel geld in zijn of haar richting stroomde en gaat er dan iets liefdadigs mee doen. Ik wil nog best geloven dat er echt iets van altruïsme inzit, het is beter dan geld voor diamanten, gouden kranen of nog een Rolls. Maar intussen is het ook zo dat de filantroop iets beslist wat de gemeenschap zou moeten beslissen. Geld voor medicijnen, geld voor onderzoek, ik noem maar wat.

Je hebt mensen en je hebt dingen en er ergens tussenin zit de consumens. Een mens die een aanhangsel van de dingenwereld is geworden, die zelf een beetje ding is geworden.

Maar: zonder smuk toont een mens meer zichzelf, zonder consu is de mens meer mens.

Weia Reinboud