zaterdag, 20 februari 2021

Verkiezingen voor de Tweede Kamer roepen altijd weer een persoonlijke herinnering van een behoorlijke leeftijd op. Niet spontaan als een plotselinge jeugdflits of tijdens een discussie in een vertrouwde omgeving, maar als een niet te stuiten sociale reflex die later een voldoende rechtvaardiging bood voor de gang naar het stemhokje. Een reflex die elke keer sterker was dan de wetenschap dat één stem nauwelijks een druppel achterlaat en ook nog eens naar een kleine minderheid ging.

De oorsprong moet wel iets bijzonders geweest zijn. En dat was het ook. In 1946 vonden in Nederland de eerste verkiezingen na de Tweede Wereldoorlog plaats. Met een opkomst die tegenwoordig verdacht hoog heet, namelijk 93,1 procent. De Katholieke Volkspartij was met 30,8 procent de grootste, gevolgd door Partij van de Arbeid (28,3 procent) en als vierde de Communistische Partij van Nederland (10,6 procent). De liberale Partij van de Vrijheid haalde 6,4 procent. Dat waren nog eens andere tijden, zij het met één opvallende overeenkomst, een massale woningnood. De bestrijding daarvan met samenwonen leidde tot de ongewone omstandigheden die mijn reflex nodig had.

Rosa

Dat samenwonen – 'ontuchtig' in die tijd – behoorde bij de breed gepropageerde wederopbouw en kreeg een dwingende aanbeveling van de rooms-katholieke minister-president Beel: Laten we het er over eens zijn dat samenwonen niet prettig is, ja zelfs dat er gevaar bestaat voor ondermijning van het intieme, gezonde, huiselijk leven. We zijn het er over eens: Samenwonen is een kwaad! Maar ... een noodzakelijk kwaad!

En meer dan dat. Bij gebrek aan beter namen mensen met een huurwoning hun (net) getrouwde kinderen in huis, ze waren daartoe verplicht met een wildvreemd 'jong stel'. Dat laatste leidde bij de kinderloze bovenburen waar ik mijn jeugd doorbracht, tot ernstige spanningen bijvoorbeeld rond de gemeenschappelijke keuken. Conflicten die bij de verkiezingen in 1946 niet binnenshuis bleven. Een groot biljet voor de CPN op het ene raam en een paar dagen later op het naastliggende raam voor de PvdA, groter. De buurt, in grote meerderheid KVP, sprak er schande over. Op straat, in winkels en in de kerk. Heb je het gezien, dat kan toch niet!

Ik was een jongetje van bijna negen jaar en daarin op een heel speciale manier betrokken. De buurman, hoofdhuurder, ome Kees, was een goede vriend van mijn ouders. Toen mijn vader eind 1944 een paar maanden ondergedoken was en mijn moeder ergens in de huishouding werkte, logeerde ik vaak bij ome Kees en tante Alie. Ook omdat mijn moeder zich zorgen maakte over mijn onrustige, terugkerende zoektocht naar mijn vader in de schuren die los van de huizen gebouwd waren. De lagere school was dicht en ome Kees, een werkloze timmerman, luisterde soms overdag naar de 'illegale radio' die achter in een kast verborgen was.

Op een dag zag ik dat hij zeer geconcentreerd met een landkaart bezig was en rijen pionnen verschoof. De Russen zijn al hier. Ook in de jaren na de oorlog sprak hij nooit over de 'geallieerden', wel bouwde hij het podium voor bijeenkomsten van de CPN. Een veelzijdige man. Op de straatfeesten speelde hij accordeon, hij schaakte per post, elke brief één zet en schreef `s avonds om acht uur een pagina in zijn dagboek. Bij dit alles had tante Alie de leiding, ook voor de oorlog, in het zangkoor Rosa van alleen vrouwen. Ik kwam er graag, ook jaren later, in 1979 zijn ze kort na elkaar overleden.

Rood potlood

Over die twee concurrerende verkiezingsaffiches hoorde ik ook regelmatig mijn ouders praten. Als bewonderaars van Drees hadden ze er best moeite mee en dat vertelde ik ome Kees. En daar begon mijn eerste politieke scholing. Hij vertelde over zijn ouders die pas in de laatste jaren van hun leven in 1919 stemgerechtigd waren; de mannen twee jaar eerder, vulde tante Alie aan. Ze waren daar trots op, maar vonden wel dat het lang geduurd had. Op de dag van de verkiezingen trokken ze zelfs hun zondagse pak aan.

Ome Kees nam de tijd om uit te leggen dat dit recht geen cadeautje was dat je om de vier jaar uitpakte. Het was een afgedwongen erkenning dat 'gewone mensen' niet alleen maar bestonden, maar als volwaardig werden beschouwd. Daarom was stemmen nodig. Wat hem betreft, moest het nier daarbij blijven. Je mening moest je openlijk uiten, laten zien en ook gebruiken.

Een levendige herinnering die in de tijd van mijn eerste deelname aan de verkiezingen werd opgefrist door de twee strijdende 'posters' onder één dak en mij naar het stembureau dreef. En dat is zo gebleven, maar zonder argeloosheid.

Aan de ene kant raakt de reflex versleten. Wat er met een stem gebeurt, lijkt meer dan ook ongrijpbaar en heeft door de deelname van 37 partijen veel weg van een schiettent; mis is ook raak. Aan de andere kant werkt de actuele veelvoudige crisis als een reflexhamer. De krakende parlementaire democratie en een falende regering behoeven een knalrood potlood, raak is nooit mis.

Hans Boot