dinsdag, 13 december 2011
Auteur
Harry Zevenbergen

 Soms ruim ik mijn huis op. Zondagochtend besloot ik in een spontane opwelling dat 2011 een mooi jaar is voor een grote schoonmaak. Net zoals 1993 dat was. Een grote schoonmaak doe je niet zomaar en daar ben je ook niet in een handomdraai klaar mee. Zondag begon ik met een uur nadenken. Ik twijfelde of ik op de tweede verdieping moest beginnen en dan naar beneden werken of dat het beter was beneden te beginnen omdat dan voor de eventuele bezoekers het resultaat direct zichtbaar zou zijn. Ik besloot voor het laatste te kiezen en dus voor de bijbehorende schouderklopjes die me weer konden aanmoedigen deze keer wel verder te gaan met de hogere regionen van mijn huis.

Opruimen kan ik als de beste. Dat wil zeggen de eerste 10 minuten. Tegen die tijd kom ik de eerste foto tegen. De foto van een ex doet me wegdromen op een golf van nostalgie. O wat waren we gelukkig, we maakten nooit ruzie en het stopte al na zes weken voor de sleur in kon zetten. De ideale relatie. Mijn mijmeringen worden onderbroken door de telefoon. Het is een vriendin die ik heb gevraagd om de 15 minuten te bellen, om te checken of ik nog steeds aan het opruimen ben. Ik zeg ja en trap met mijn rechtervoet de stofzuiger aan. Ze heeft me door. Zuchtend hang ik op en ga weer aan de slag.

Het duurt niet lang of ik kom een krantenknipsel tegen. Een krantenknipsel over de studentenacties van 1988, toen we iedere avond na de eindeloze vergaderingen naar Lokaal Vredebreuk gingen. Het enige café waar warme anijsmelk werd geschonken. Vraag het Maarten Toonder er gaat niets boven anijs. Ik genoot terwijl de rest zich op het bier stortte. Daarna praatten we over schoolbezettingen en de revolutie die binnen handbereik lag. Alles moest anders, wat dat betreft ben ik genuanceerder geworden. Tegenwoordig vind ik dat bijna alles anders moet. De telefoon gaat weer. Het is de vriendin die groeit in haar rol van politieagent. Ze vraagt deze keer niet eens of ik wel aan het schoonmaken ben, maar blaft me toe dat ik als de donder weer aan het werk moet.

Ik geef haar gelijk en leg de telefoon onder een kussen en zet de muziek nog wat harder. Keiharde punk.  Ik poets strak in de maat, met dezelfde allesverzengende energie  waarmee Jello Biafra zijn teksten in de microfoon spuugt. Binnen no time glimmen alle vensterbanken, waarbij  mijn enige vaas en een fotolijstje de collateral damage vormen. In tijden van oorlog en grote schoonmaak moet je niet op een paar slachtoffers meer of minder kijken. Mijn kussen stuitert op en neer, de controleur van dienst is in staat mijn telefoon harder te laten overgaan wanneer ze gehoord wil worden. Ik neem op en vertel haar dat ik voor vandaag genoeg gedaan heb, leg de telefoon neer en trek de stekker eruit..

In de keuken ga ik even een balletje hooghouden, voor ik met een boek op de bank plof. Opruimen kan ik als de beste, maar ik kom nooit verder dan de begane grond en voel me een beetje schuldig als ik daarvoor de schouderklopjes in ontvangst neem. De telefoon gaat. Ik negeer het en raap de gulden op die ik achter de bank zie liggen. Ik stop hem in mijn zak. Je weet nooit wat ik er volgende week allemaal weer mee kan kopen.

Harry Zevenbergen